Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200400039/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2003, kenmerk 2003042484, heeft verweerder het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot [vergunninghoudster] op het perceel [locatie sub 1] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400039/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2003, kenmerk 2003042484, heeft verweerder het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot [vergunninghoudster] op het perceel [locatie sub 1] te [plaats] afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 31 december 2003, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 februari 2004, waar verzoeker, bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door H.J.M. Baars en H. Wessels, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster daar gehoord, vertegenwoordigd door mr. M. Bekooy, advocaat te Enschede.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft aan het bestreden besluit de overweging ten grondslag gelegd dat bij besluit van 7 december 2001 aan de onderhavige inrichting een last onder dwangsom is opgelegd wegens overtreding van de geluidvoorschriften uit de geldende vergunning, welk besluit nog steeds van kracht is. Verweerder stelt dat conform dit besluit door hem wordt gehandhaafd en daarmee aan het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de onderhavige inrichting tegemoet wordt gekomen.

2.2. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen uitvoering geeft aan het dwangsombesluit van 7 december 2001. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd te kennen gegeven dat zijn belang bij het treffen van een voorlopige voorziening erin is gelegen dat door het stelselmatig overtreden van de geluidvoorschriften uit de geldende vergunning milieubelangen in het geding zijn.

2.2.1. Uit de stukken volgt dat op de gevel van de nabij de onderhavige inrichting gelegen woning [locatie sub 2] overschrijdingen van de geluidvoorschriften uit de geldende vergunning hebben plaatsgevonden als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Dit is voor verweerder aanleiding geweest dienaangaande een last onder dwangsom op te leggen. Na overleg tussen de bewoner van voornoemde woning en vergunninghoudster is op 12 december 2002 een overeenkomst gesloten tot aankoop van deze woning. Na levering van de woning aan vergunninghoudster zal van een overtreding van de geluidvoorschriften niet langer sprake zijn. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de onderhavige inrichting naar aanleiding van op 24 februari 2003 uitgevoerde geluidmetingen en de daarbij vastgestelde overtreding van de geluidvoorschriften reeds een dwangsom heeft verbeurd. Tegen de inning hiervan heeft vergunninghoudster verzet aangetekend.

Verweerder heeft, gezien de gebleken onduidelijkheden in de gesloten koopovereenkomst, in afwachting van de levering van de woning een akoestisch bureau de opdracht verstrekt om opnieuw metingen te verrichten bij de woning [locatie sub 2]. Ter zitting is van de zijde van verweerder verklaard dat het vanwege slechte weersomstandigheden nog niet mogelijk is geweest deze metingen te verrichten.

2.2.2. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende hetgeen van de zijde van verzoeker ter zitting is opgemerkt, ziet de Voorzitter onvoldoende spoedeisend belang in het verzoek gelegen om, in afwachting van de beslissing op bezwaar, een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek komt daarom niet voor inwilliging in aanmerking.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2004

159-443.