Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200308695/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0588
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 69
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200308695/1.

Datum uitspraak: 16 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats

's-Hertogenbosch, van 11 december 2003 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 december 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 januari 2004 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2004, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te

's-Gravenhage, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bedraagt de beroepstermijn één week, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren is afgewezen.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), wordt onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in een Aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 uur tot 08.00 uur niet meetellen.

2.1.1. Ingevolge artikel 3.109 van het Vb 2000 worden van de vreemdeling die te kennen geeft de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, in te willen dienen, identificatiefoto’s vervaardigd en wordt een dactyloscopisch signalement opgemaakt.

In paragraaf C3/12.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) staat dat onderzoek, als bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Vw 2000, op de aanwezigheid van documenten aan kleding en lichaam alsmede zijn bagage de aanmeldcentrumprocedure niet doet aanvangen. Daarnaast wordt gecontroleerd of de asielzoeker voorkomt in het opsporingsregister of in het nationaal Schengen-informatiesysteem en worden de handelingen uitgevoerd, vermeld in artikel 3.109 van het Vb 2000. Die handelingen doen de aanmeldcentrumprocedure evenmin aanvangen, want zij zien niet op de behandeling van de asielaanvraag, maar worden gedaan vanuit beheersmatige redenen. Vervolgens maakt de korpschef een afspraak, verstrekt de vreemdeling hiervan een schriftelijke bevestiging en verwijst de vreemdeling zonodig naar een tijdelijke noodvoorziening.

Voor het aanmeldcentrum Rijsbergen geldt volgens paragraaf C3/12.1.3 van de Vc 2000 dat de 48-uurs-termijn aanvangt op het moment, waarop de vreemdelingendienst begint met het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker.

2.1.2. De minister klaagt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het afnemen van vingerafdrukken bij de vreemdeling en het vergelijken van deze afdrukken met de in het bestand van de Dienst Nationale Recherche Informatie (hierna: de NRI) voorkomende vingerafdrukken, de 48-uurs-termijn heeft doen aanvangen.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2002 in zaak nr. 200200319/1, JV 2002/123), heeft de wetgever ter bepaling of een aanvraag geschikt is om in een aanmeldcentrum te worden afgewezen een naar tijdsduur gemeten maatstaf voorgeschreven. Daarbij heeft blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000 en de toelichting op het Vb 2000 de gedachte voorgezeten dat het vereiste dat binnen 48 proces-uren afdoende kan worden beoordeeld of de aanvraag kan worden afgewezen, waarborgt dat op deze wijze slechts zaken worden afgehandeld die geen tijdrovend onderzoek vergen. De aldus gekozen maatstaf kan deze door de wetgever beoogde waarborg slechts bieden, indien de uren die voor het onderzoek benut kunnen worden, worden aangemerkt als proces-uren in de zin van voormeld artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000.

Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 mei 2002, in zaak nr. 200201773/1, JV 2002/225), volgt uit artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000, bij gebreke van een nadere bepaling terzake, dat voor de vaststelling van de aanvang van de 48-uurs-termijn aansluiting moet worden gezocht bij de aanvang van het onderzoek in het aanmeldcentrum, gericht op de beoordeling van de aanvraag.

Uit artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 valt af te leiden dat de 48-uurs-termijn in ieder geval aanvangt op het moment, waarop de aanvraag wordt ingediend. Gebleken is dat de indiening van de aanvraag soms eerst plaatsvindt, nadat enig op de in te dienen aanvraag gericht onderzoek heeft plaatsgevonden. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 augustus 2002 in zaak nr. 200203202/1, JV 2002/323) moet in dat geval worden aangenomen dat de 48-uurs-termijn met de aanvang van dat onderzoek is gaan lopen.

2.1.4. De minister heeft ter terechtzitting betoogd dat het onderzoek bij de NRI geen op de in te dienen aanvraag gericht onderzoek is. Hij heeft daartoe toegelicht dat het vergelijken van vingerafdrukken met de in het bestand van de NRI voorkomende vingerafdrukken, als sprake is van een ‘hit’, kan leiden tot de resultaten “a”, “v” of “s”.

Bij een ”a”-melding, hetgeen betekent dat de betrokkene reeds bekend is als asielzoeker, gaat de minister in de beschikbare systemen na of betrokkene daarin inderdaad voorkomt. Als dat het geval is, komt betrokkene in beginsel niet voor de tijdelijke noodvoorziening in aanmerking en moet deze een afspraak maken in het aanmeldcentrum Ter Apel.

Bij een “v”-melding, hetgeen betekent dat betrokkene overigens als vreemdeling reeds bekend is, onderzoekt de Vreemdelingendienst in de beschikbare systemen of betrokkene ongewenst is verklaard. Als dat het geval is, komt deze niet voor tijdelijke noodopvang in aanmerking.

Tenslotte zal de Vreemdelingendienst bij een “s”-melding, hetgeen betekent dat betrokkene strafrechtelijk bekend is, nagaan of betrokkene door het Openbaar Ministerie gezocht wordt en op strafrechtelijke gronden vastgenomen moet worden.

2.1.5. Gebleken is dat de Vreemdelingendienst Rijsbergen naar aanleiding van de aanmelding van de vreemdeling op 9 november 2003 in het aanmeldcentrum aldaar, van de vreemdeling vingerafdrukken heeft opgenomen. Tevens zijn de vingerafdrukken vergeleken met de in het bestand van de NRI voorkomende vingerafdrukken. Volgens het rapport betreffende identiteitsvaststelling d.d. 9 november 2003 kwam de vreemdeling niet voor in het bestand van de NRI.

2.1.6. Dit onderzoek was bedoeld om te bepalen, in welk Aanmeldcentrum de vreemdeling de asielaanvraag behoorde in te dienen en of deze in afwachting van het moment, waarop zij die aanvraag volgens afspraak kon indienen en in de aanmeldcentrumprocedure wordt opgenomen, opvang zou worden verleend in de tijdelijke noodvoorziening. Hieruit volgt dat dit onderzoek werd verricht met het oog op de openbare orde en om louter beheersmatige redenen en dat geen sprake was van op de beoordeling van de asielaanvraag gericht onderzoek. Met het onderzoek is de 48-uurs-termijn derhalve niet aangevangen.

De grief slaagt.

2.2. In grief 2 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het rapport betreffende identiteitsvaststelling d.d. 9 november 2003 gestelde aantekening dat de vreemdeling op grond van de indicatie ‘twama’ voor een leeftijdsonderzoek wordt aangemeld de 48-uurs-termijn heeft doen aanvangen.

2.2.1. Nu de minister aannemelijk heeft gemaakt dat die aantekening bedoeld is om, in het kader van het beschikbaar houden van transportmiddelen, teneinde de vreemdeling eventueel naar Eindhoven te kunnen vervoeren, alwaar de röntgenfoto’s ten behoeve van een leeftijdsonderzoek kunnen worden gemaakt, het onderzoek naar de aanvraag administratief en beheersmatig voor te bereiden, is geen sprake van onderzoek dat de 48-uurs-termijn doet aanvangen.

Ook deze grief slaagt.

2.3. Gelet op het voorgaande, klaagt de minister in grief 3 evenzeer terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de 48-uurs-termijn reeds bij het opmaken van het rapport betreffende identiteitsonderzoek op 9 november 2003 is aangevangen en dat die termijn ruimschoots is overschreden.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Grieven 4 en 5 behoeven derhalve geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 december 2003 in zaak nr. AWB 03/60911;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2004

344.