Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3948

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200304181/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2002 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven (hierna: het dagelijks bestuur) appellante op de voet van artikel 14, eerste lid, in samenhang met artikel 21, tweede lid, van de Woningwet onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om binnen 10 werkdagen na dagtekening van dat besluit de werkzaamheden genoemd in de ten behoeve van het pand Zwaerdecroonstraat 12 te Rotterdam (Delfshaven) opgestelde en bij het besluit gevoegde voorzieningenlijst op afdoende wijze te (laten) verrichten alsmede de eventueel uit deze voorzieningen voortvloeiende (herstel-) werkzaamheden uit te voeren bij gebreke waarvan de in de voorzieningenlijst genoemde werkzaamheden van gemeentewege, doch op kosten van appellante, zullen worden verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/73 met annotatie van J.W. Weerkamp
Module Ruimtelijke ordening 2004/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304181/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Woningbedrijf Rotterdam, gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2002 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven (hierna: het dagelijks bestuur) appellante op de voet van artikel 14, eerste lid, in samenhang met artikel 21, tweede lid, van de Woningwet onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om binnen 10 werkdagen na dagtekening van dat besluit de werkzaamheden genoemd in de ten behoeve van het pand Zwaerdecroonstraat 12 te Rotterdam (Delfshaven) opgestelde en bij het besluit gevoegde voorzieningenlijst op afdoende wijze te (laten) verrichten alsmede de eventueel uit deze voorzieningen voortvloeiende (herstel-) werkzaamheden uit te voeren bij gebreke waarvan de in de voorzieningenlijst genoemde werkzaamheden van gemeentewege, doch op kosten van appellante, zullen worden verricht.

Bij besluit van 10 juli 2002 heeft het dagelijkse bestuur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2003, verzonden op 19 mei 2003, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep voorzover het betreft het kostenverhaal gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 oktober 2003 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, schrijven burgemeester en wethouders, indien een woning wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, degene die als eigenaar tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen. Ingevolge artikel 21, tweede lid, van de Woningwet moet degene tot wie de aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger, indien burgemeester en wethouders in de aanschrijving vermelden dat deze verband houdt met gevaar of ernstige hinder, bij voorraad aan die aanschrijving voldoen, ook al is die aanschrijving nog niet onherroepelijk.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, laten burgemeester en wethouders, indien zij van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een woning, bij die aanschrijving de keuze tussen enerzijds het uitvoeren van de aanschrijving en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van de bewoning.

2.2. Het dagelijks bestuur oefent te dezen de hierboven vermelde bevoegdheden van burgemeester en wethouders uit.

2.3. Niet in geschil is dat ten tijde van de aanschrijving de woning, plaatselijk bekend als Zwaerdecroonstraat 12A en deel uitmakende van het pand, dat kadastraal bekend is als Zwaerdecroonstraat 12, sectie C, nr. 04342, te Delfshaven, ernstige gebreken vertoonde en voorzieningen behoefde als bedoeld in artikel 14 van de Woningwet. Het dagelijks bestuur was dan ook bevoegd appellante aan te schrijven.

2.4. Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of de kosten verbonden aan de uitvoering van de aanschrijving in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten. Appellante betoogt dat zulks niet het geval is en dat het dagelijks bestuur haar ten onrechte niet de keuze heeft gelaten als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Woningwet.

2.5. Appellante stelt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur bij de berekening van de lonendheid van het treffen van de voorzieningen mocht uitgaan van de kadastrale eigendom en aldus zowel de huuropbrengsten van de woning Zwaerdecroonstraat 12A als die van 12B in aanmerking mocht nemen. Zij stelt zich op het standpunt dat de tekst van artikel 23 van de Woningwet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, waar het gaat om het daarin neergelegde begrip “woning”, geen ruimte biedt voor enige beoordelingsvrijheid. Bij de berekening van de lonendheid hadden de huuropbrengsten van de woning 12B dan ook niet mogen worden meegeteld, aldus appellante.

2.6. Dit betoog faalt. Daartoe wordt allereerst overwogen dat de Woningwet geen omschrijving kent van het begrip woning. Het pand, kadastraal bekend als Zwaerdecroonstraat 12, bestaat uit een boven- en een benedenwoning (respectievelijk nrs. 12B en 12A). Nu de te treffen voorzieningen in verband met de in de woning nr. 12A geconstateerde verzakking, het casco en – zoals ter zitting is gebleken – de stabiliteit van het gehele pand betreffen, acht de Afdeling, het in navolging van de rechtbank, niet onredelijk dat het dagelijks bestuur in het onderhavige geval tegenover de kosten van de te treffen voorzieningen de huuropbrengsten heeft gezet van beide woningen Zwaerdecroonstraat 12A en12B.

2.7. Appellante betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur ten aanzien van de levensduur van het pand mocht uitgegaan van een verwachte levensduur van 15 jaar. Zij stelt dat het voor het dagelijks bestuur duidelijk was dat, gelet op de plannen voor sloop- en nieuwbouw van het complex waartoe het pand behoort, bij de lonendheidsberekening had dienen te worden uitgegaan van een verwachte levensduur van ten hoogste 5 jaar.

2.8. Dit betoog slaagt. Bij de bestreden beslissing op bezwaar is niet vermeld waarop het dagelijks bestuur de verwachte levensduur van 15 jaar heeft gestoeld, terwijl appellante in haar bezwaarschrift al heeft aangevoerd dat de sloop van het pand binnen vijf jaar zal plaatsvinden. Blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting met betrekking tot het bezwaarschrift van 16 mei 2002 heeft appellante het dagelijks bestuur er op gewezen dat zij in overleg is met ambtelijke diensten over sloop van het pand en de datum waarop dat zal plaatsvinden. Uit de stukken komt verder naar voren dat appellante daaromtrent sinds eind 1999 overleg voerde met de gemeentelijk dienst Stedebouw en Volkshuisvesting (hierna: dS+V) en dat onder bepaalde omstandigheden met de uitvoering van herbouwplannen reeds voor 2008 zou kunnen worden begonnen. De Afdeling merkt daarbij op dat ter zitting van de zijde van het dagelijks bestuur is medegedeeld dat het pand in maart 2002 is opgenomen in het Bouw- en Investeringsprogramma van de gemeente, hetgeen betekent dat sloop binnen een beperkt aantal jaren is te voorzien. Ten onrechte heeft het dagelijks bestuur met deze informatie geen rekening gehouden ten tijde van de beslissing op bezwaar.

2.9. Appellante betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur ten onrechte bij de berekening van de lonendheid is uitgegaan van een te lage kostenberaming. De uiteindelijke kosten bedroegen volgens haar € 32.781,14, terwijl de kosten oorspronkelijk geraamd waren op € 22.316,69.

2.10. Ook dit betoog slaagt. Voorop gesteld zij dat, zoals de rechtbank ook heeft vastgesteld, niet in geschil is dat het pand in zeer slechte staat verkeerde. Niet kan worden staande gehouden dat het dagelijks bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een situatie waartegen met spoed handhavend moest worden opgetreden. Dat sprake was van spoedeisendheid ontslaat het dagelijks bestuur evenwel niet van zijn plicht om zorgvuldig te handelen. Blijkens de stukken heeft het dagelijks bestuur eerst op 25 maart 2002, dus nà het tijdstip van de aanschrijving een kostenberaming laten maken door de dS+V. Op 3 april 2002 heeft hij een offerte laten uitbrengen door een onafhankelijke bouwaannemer. Gelet op de geconstateerde gebreken bij de eerste visuele controle – zoals ter zitting beschreven – en de daaruit door het dagelijks bestuur getrokken conclusie dat deze het casco van het pand betroffen en dat de aan te brengen voorzieningen essentieel waren voor het behoud van het gehele pand, was het dagelijks bestuur gehouden tijdiger en grondiger onderzoek te doen naar de ingrijpendheid van die voorzieningen en de daaraan verbonden kosten. Dit te meer nu appellante reeds aanstonds in bezwaar naar voren heeft gebracht dat de kosten hoger zouden uitvallen en gewezen is op de mogelijke sloop binnen afzienbare tijd. Op dat moment was, zoals gezegd, het pand daartoe opgenomen in het Bouw- en Investeringsprogramma van de gemeente. Dat de aanname van appellante niet onredelijk was blijkt uit het feit dat de uiteindelijk kosten aanzienlijk hoger zijn uitgevallen dan de geraamde. Anders dan de rechtbank komt de Afdeling dan ook tot de slotsom dat de lonendheidsberekening onzorgvuldig is uitgevoerd.

2.11. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard, te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen de beslissing op bezwaar van 10 juli 2002 ingestelde beroep, voor zover het ongegrond is verklaard, alsnog gegrond verklaren en het besluit, voor zover de rechtbank dat in stand heeft gelaten, alsnog vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.12. Het dagelijks bestuur dient op de navolgende wijze veroordeeld te worden in de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2003, GEMWT 02/2126-RIP, voor zover het beroep ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover het ongegrond is verklaard, alsnog gegrond;

IV. vernietigt alsnog het besluit van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven van 10 juli 2002, jho 20021886, voor zover de rechtbank dat in stand heeft gelaten;

V. veroordeelt het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven in de door appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Rotterdam te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de gemeente Rotterdam aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 348,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

47-397.