Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200304075/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 januari 2001 heeft appellant (hierna: het college) de SBA Bouwgroep aangeschreven om uiterlijk 12 januari 2001 de ingebruikname van een niet nader aangeduid pand geheel te staken, zulks op straffe van een dwangsom met ingang van 15 januari 2001 van ƒ 10.000,00/€ 4537,80 per dag met een maximum van ƒ 250.000,00/€ 113.445,05.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304075/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2003 in het geding tussen:

de Vereniging 4 Flowers, gevestigd te Aalsmeer

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2001 heeft appellant (hierna: het college) de SBA Bouwgroep aangeschreven om uiterlijk 12 januari 2001 de ingebruikname van een niet nader aangeduid pand geheel te staken, zulks op straffe van een dwangsom met ingang van 15 januari 2001 van ƒ 10.000,00/€ 4537,80 per dag met een maximum van ƒ 250.000,00/€ 113.445,05.

Bij besluit van 29 mei 2001 heeft het college het daartegen door de Vereniging 4 Flowers (hierna: de vereniging) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vereniging ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen binnen zes weken na verzenddatum van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaarschrift van de vereniging dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 oktober 2003 heeft de vereniging van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2004, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.L.A. Verleun, advocaat te Mijdrecht, en de vereniging, vertegenwoordigd door mr. R.E. Gerritsen, advocaat te Schiphol-Rijk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 4.14 van de Bouwverordening Uithoorn 1993 (hierna: de Bouwverordening) is het na de bouw van een bouwwerk, waarvoor bouwvergunning is verleend, verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

a. het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;

b. er is niet gebouwd overeenkomstig de bouwvergunning.

2.2. De vereniging heeft tegen de aangevallen uitspraak geen hoger beroep ingesteld, zodat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat het dwangsombesluit betrekking heeft op het met artikel 4.14 van de Bouwverordening strijdige gebruik van het bedrijfsverzamelgebouw op het bedrijventerrein VBA-Zuid aan de Legmeerdijk 313 te Aalsmeer, plaatselijk bekend als Amelanchier 40 te De Kwakel. Het college was derhalve in beginsel bevoegd daartegen handhavend op te treden.

2.3. Ten aanzien van het betoog van het college dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar van de vereniging niet-ontvankelijk had moet worden verklaard, wordt overwogen dat de rechtbank de vereniging terecht en op goede gronden op één lijn heeft gesteld met de SBA Bouwgroep.

De SBA Bouwgroep, waaraan de bouwvergunning voor het bedrijfsverzamelgebouw is verleend en waaraan de aanschrijving is gericht, betrof een samenwerkingsverband van een viertal besloten vennootschappen, dat is geformaliseerd tot een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, de Vereniging 4 Flowers.

De rechtbank heeft de vereniging dan ook terecht als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb aangemerkt. Het college betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar van de vereniging niet-ontvankelijk is en dat de bestreden beslissing op bezwaar om die reden had moeten worden vernietigd.

2.4. Ingevolge artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

2.5. Het betoog van het college dat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de bestreden beslissing op bezwaar in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen faalt eveneens. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat dit besluit onvoldoende duidelijk maakt wat van de vereniging wordt verlangd om de overtreding van artikel 4.14 van de Bouwverordening ongedaan te maken. Met juistheid heeft de rechtbank geconstateerd dat dit besluit onvoldoende duidelijkheid biedt of en zo ja, in hoeverre het wel toegestane gebruik van het gebouw door [partij] onder de last viel.

Anders dan de rechtbank acht de Afdeling de begunstigingstermijn niet onduidelijk omdat letterlijk in de last staat vermeld dat daaraan uiterlijk 12 januari 2001 gevolg moet zijn gegeven. Echter nu de last onduidelijkheid laat bestaan over de vraag of onder het staken van het gebruik ook de (algehele) ontruiming van het gebouw moet worden begrepen, welke vraag het college ter zitting bevestigend heeft beantwoord, is de daarvoor gegeven begunstigingstermijn, die feitelijk neerkomt op minder dan één dag, redelijkerwijs te kort, zodat de beslissing op bezwaar waarbij de last ongewijzigd is gebleven ook in dat opzicht onzorgvuldig is voorbereid en genomen.

2.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Het college dient als het in het ongelijk gestelde bestuursorgaan in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn in de door de Vereniging 4 Flowers in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Uithoorn te worden betaald aan de Vereniging 4 Flowers.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

47-397.