Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3943

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200304074/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2002, kenmerk 874236, heeft verweerder een verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot [vergunninghouder] op het adres [locatie sub 1] (deellocatie 1), [locatie sub 2] (deellocatie 2) en [locatie sub 3] ongenummerd (deellocatie 3) te [plaats], toegewezen voorzover het de overtreding van voorschrift 7.4.2 van de op 16 augustus 2002 krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] verleende veranderingsvergunning betreft en voor het overige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/4534
JOM 2006/1039
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304074/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2002, kenmerk 874236, heeft verweerder een verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot [vergunninghouder] op het adres [locatie sub 1] (deellocatie 1), [locatie sub 2] (deellocatie 2) en [locatie sub 3] ongenummerd (deellocatie 3) te [plaats], toegewezen voorzover het de overtreding van voorschrift 7.4.2 van de op 16 augustus 2002 krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] verleende veranderingsvergunning betreft en voor het overige afgewezen.

Bij besluit van 13 mei 2003, kenmerk 912626, verzonden op 15 mei 2003, heeft verweerder, beslissend op de ingediende bezwaarschriften, het besluit van 15 november 2002 ingetrokken en het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen alsnog in zijn geheel afgewezen.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 juli 2003.

Bij brief van 16 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [vergunninghouder] Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2004, waar appellant in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. L.C.A. Nuyts en A.A.J. Teuben, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. dr. L. Bier, advocaat te Vught, en B.P.G. van Bree, gemachtigde, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [vergunninghouder] heeft gesteld dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk is, nu hij binnen de beroepstermijn een pro forma beroepschrift heeft ingediend en eerst na afloop van deze termijn zijn beroep heeft gemotiveerd.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, moet het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep bevatten.

Ingevolge artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.1.2. Uit bovengenoemde bepalingen volgt dat het indienen van een beroepschrift op nader aan te voeren gronden niet is uitgesloten. Uit de stukken is gebleken dat appellant binnen de daartoe, door de Afdeling, gestelde termijn een aanvullend beroepschrift heeft ingediend. Mitsdien bestaat er geen beletsel hem in zijn beroep te ontvangen.

2.2. Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciaal bestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.3. Appellant voert aan dat niet is gebleken dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het advies van de adviescommissie. Een advies is niet uitgebracht, althans niet aan hem toegezonden. Appellant is van mening dat een en ander in strijd is met de artikelen 7:12, eerste lid, en 7:13, zesde en zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.1. Ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, dient de beslissing op het bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Ingevolge artikel 7:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, is dit artikel van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden en waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht kan ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

2.3.2. De Afdeling maakt uit de stukken op dat op 18 april 2003 met betrekking tot de onderhavige zaak een advies is uitgebracht door de Hoor- en adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften, als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Beleidsregels behandeling bezwaarschriften door Gedeputeerde Staten 1993. Verweerder heeft kenbaar gemaakt dat de voorzitter van deze commissie deel uitmaakt van het bestuursorgaan. Derhalve is artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing, zodat van een schending van artikel 7:13, zesde en zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen sprake kan zijn. De Afdeling overweegt dat de beslissing op het bezwaar een zelfstandige motivering bevat. Daargelaten de vraag of het advies al dan niet is toegezonden aan appellant, is van schending van de artikelen 3:49 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht derhalve evenmin sprake.

2.4. Bij uitspraak van 17 januari 2003, no. 200204940/2, heeft de Voorzitter van de Afdeling het besluit tot vergunningverlening van 16 augustus 2002 geschorst.

2.4.1. Appellant betoogt dat verweerder ten onrechte stelt dat door de schorsing van het besluit van 16 augustus 2002 de grondslag van het handhavingsbesluit van 15 november 2002 is weggevallen. Aangezien de vergunning van 16 augustus 2002 nooit in werking is geweest, was en is de grondslag van voornoemd handhavingsbesluit de oprichtingsvergunning van 28 oktober 1998, aldus appellant. Een en ander vormde volgens appellant dan ook geen reden het handhavingsbesluit van 15 november 2002 in te trekken. Voorzover het besluit van 15 november 2002 niet correct was, omdat is verwezen naar niet in werking zijnde voorschriften, had het volgens appellant in de rede gelegen het besluit te vervangen door een besluit waarin wordt verwezen naar de juiste juridische basis, te weten de vergunning van 28 oktober 1998. Ook de omstandigheid dat [vergunninghouder] volgens verweerder aan de aanschrijving heeft voldaan, wat appellant overigens bestrijdt, door het plaatsen van een doek van geotextiel is volgens appellant geen reden die tot herroeping zou moeten leiden.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat, zoals uit de bewoordingen van het besluit van 15 november 2002 blijkt, aan dit besluit overtreding van de vergunning van 16 augustus 2002 ten grondslag was gelegd.

De Voorzitter van de Afdeling heeft het besluit tot vergunningverlening van 16 augustus 2002 bij uitspraak van 17 januari 2003 geschorst. Een handhavingsbesluit is echter niet aan te merken als rechtsgevolg van het onderliggende besluit, zodat het niet voor vernietiging dan wel herroeping in aanmerking komt op de enkele grond dat de onderliggende vergunning inmiddels is vernietigd of geschorst.

In het onderhavige geval was het besluit tot vergunningverlening van 16 augustus 2002 evenwel ook ten tijde van het nemen van het handhavingsbesluit van 15 november 2002 niet in werking, aangezien tegen het besluit tot vergunningverlening een verzoek om voorlopige voorziening was ingediend. In zoverre was er voor het handhavingsbesluit op het moment dat het werd genomen geen grondslag.

Gelet hierop is verweerder terecht overgegaan tot herroeping (“intrekking”) van het besluit van 15 november 2002.

2.5. Appellant voert aan dat grond en zand hoger dan zes meter worden opgeslagen en dat de opslag van deze stoffen zodanig is dat grond en/of zand buiten de inrichting, dan wel in de sloot terechtkomen. Dit is volgens appellant zowel in strijd met de geschorste (en inmiddels vernietigde) vergunning van 16 augustus 2002 als met de vigerende vergunning van 28 oktober 1998. Appellant bestrijdt dat de opslag is teruggebracht tot een hoogte van zes meter. Verder stelt hij dat de doek die over de opslag is geplaatst de grond en het zand niet geheel afdekt, waardoor nog altijd grond en/of zand buiten de inrichting, dan wel in de sloot kan terechtkomen. De opslag heeft volgens appellant ook een horizonvervuilende invloed.

2.5.1. Aan [vergunninghouder] is bij besluit van 28 oktober 1998 een oprichtingsvergunning verleend krachtens de Wet milieubeheer en bij besluit van 24 augustus 2001 een veranderingsvergunning. De op 16 augustus 2002 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning was ten tijde van het primaire besluit en ten tijde van het bestreden besluit niet in werking.

De Afdeling stelt vast dat in de vigerende milieuvergunningen geen voorschrift is opgenomen dat de opslag van grond en zand slechts toestaat tot een hoogte van zes meter. Wel is in de vigerende vergunningen bepaald dat op deellocatie 2 maximaal 4.000 ton schone grond mag worden opgeslagen. In het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat de hoeveelheid grond die binnen de inrichting, op deellocatie 2, wordt opgeslagen meer bedraagt dan 4.000 ton. Gelet hierop was verweerder, zoals hij zelf ook stelt, bevoegd tot handhaving.

Verweerder betoogt dat [vergunninghouder] inmiddels een maatregel heeft genomen om te voorkomen dat grond en/of zand buiten de inrichting, dan wel in de sloot kan terechtkomen. Verweerder is voorts van mening dat de situatie legaliseerbaar is. Hij heeft ter zitting aangevoerd dat binnen afzienbare termijn een nieuwe vergunning is te verwachten. Onder deze omstandigheden is er volgens verweerder geen gerechtvaardigd belang om op te treden tegen de te omvangrijke opslag.

Vaststaat dat over de zandopslag inmiddels een doek van geotextiel is aangebracht. Nu ter zitting is gebleken dat de zandopslag weliswaar aan de binnenzijde van de inrichting niet wordt afgedekt, maar aan de buitenzijde van de inrichting, die grenst aan de sloot, van de grond tot over de top door het doek wordt afgedekt, is voldoende aannemelijk geworden dat het buiten de inrichting, dan wel in de sloot terechtkomen van grond en/of zand wordt voorkomen.

Appellant bestrijdt dat de situatie legaliseerbaar is, in ieder geval voorzover het een opslaghoogte van meer dan zes meter betreft, nu verweerder zich in het kader van de procedure die heeft geleid tot het besluit van 16 augustus 2002 op het standpunt heeft gesteld dat de opslaghoogte maximaal zes meter mag bedragen. Het getuigt volgens appellant van willekeur dat verweerder thans op dit standpunt terugkomt en stelt dat een opslag, hoger dan zes meter, niet leidt tot aantasting van landschappelijke waarden en van de belangen van appellant.

Verweerder heeft naar aanleiding hiervan betoogd dat hij aanvankelijk aansluiting heeft gezocht bij de (standaard) opslaghoogte van zes meter op deellocatie 3, maar dat hij thans van oordeel is dat het bestemmingsplan aan een opslag van acht meter niet in de weg staat en dat hiertegen evenmin milieuhygiënische bezwaren bestaan. In dit verband heeft verweerder met betrekking tot horizonvervuiling betoogd dat de inrichting is gelegen in een omgeving waar verschillende bedrijven zijn gevestigd en waarbij een groot deel van deze bedrijven zelfs is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Het beroep op visuele hinder gaat gelet op de omgeving naar zijn mening dan ook niet op. Voorts kan stofoverlast volgens verweerder met voornoemde doek van geotextiel voldoende worden voorkomen.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd aan legalisering in de weg staat.

Gezien het bovenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afzien van het gebruik van zijn bevoegdheid een last onder dwangsom op te leggen.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

271-446.