Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3933

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200303740/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Culemborg het "Wijzigingsplan artikel 11 Wet op de Ruimtelijk Ordening, [locatie] vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303740/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Culemborg,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Culemborg het "Wijzigingsplan artikel 11 Wet op de Ruimtelijk Ordening, [locatie] vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 april 2003, no. RE2003.34183, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 juli 2003 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door ing. A.W. Ebbers, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. Sprokkereef, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Culemborg, vertegenwoordigd door W.A.M. van Zwam en ing. Th.A. Brouwer, beiden ambtenaar van de gemeente, en als belanghebbende […].

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het wijzigingsplan is krachtens artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vastgesteld en betreft een wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied Culemborg 1998”. Het plan maakt de vestiging van een ecologische geitenhouderij […] mogelijk op het perceel [locatie] te Culemborg.

Verweerder heeft dit plan goedgekeurd.

2.3. Appellant stelt in beroep dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de in het plan voorziene geitenhouderij niet een grondgebonden, volwaardig agrarisch bedrijf zal zijn. Bovendien heeft de dienst Ruimte, Economie en Welzijn van de provincie Gelderland (hierna: de dienst) naar zijn mening onvoldoende onderzoek gedaan naar de geitenhouderij. In dit verband betoogt appellant dat verweerder het onderzoek niet als basis voor zijn besluit had mogen hanteren. Voorts is appellant van mening dat het bedrijfsplan van de geitenhouderij enige realiteitswaarde mist.

2.4. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 11 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied Culemborg 1998”, om dit bestemmingsplan onder voorwaarden te wijzigen ten behoeve van de vestiging van een agrarisch bedrijf.

2.5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden en niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening.

2.6. Het wijzigingsplan is vastgesteld met toepassing van artikel 11, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied Culemborg 1998”. In dit artikellid is aan het college onder meer de bevoegdheid toegekend om percelen met de bestemming “Landelijk gebied I” (artikel 5 van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied Culemborg 1998”), die niet de aanduiding “geen nieuwvestiging” of “veiligheidszone defensie” hebben, te wijzigingen ten behoeve van de vestiging en/of uitbreiding van agrarische bedrijven. Vereiste voor de wijziging is in elk geval dat het om een grondgebonden agrarisch bedrijf gaat dat aan ten minste één arbeidskracht werk en inkomen biedt.

2.7. Met betrekking tot het argument van appellant dat de dienst onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de geitenhouderij en dat de geitenhouderij niet een grondgebonden, volwaardig agrarisch bedrijf is, overweegt de Afdeling dat de dienst bij zijn onderzoek het volgende in aanmerking heeft genomen.

Voor de uitoefening van de geitenhouderij is een maatschap opgericht, waarvan [belanghebbenden] de maten zijn. De maatschap heeft met [partij sub 1] een overeenkomst gesloten waarbij partijen zich hebben verplicht tot respectievelijk de aankoop en de verkoop van 400 geitenlammeren.

Voorts heeft de maatschap met [partij sub 2]. een overeenkomst gesloten waarbij beiden zich hebben verplicht tot respectievelijk de levering en de afname van geitenmelk. Bovendien is er een financieringsvoorstel van de Rabobank Beusichem-Culemborg voor de bouw van een woning en een geitenstal en zijn pachtovereenkomsten gesloten waardoor voldoende gronden beschikbaar zijn om de geitenhouderij op te richten.

Het voorgaande in aanmerking genomen heeft de dienst het college op 15 januari 2003 geadviseerd medewerking te verlenen aan de planologische inpassing van de geitenhouderij, omdat sprake is van een ecologische (grondgebonden) volwaardige geitenhouderij.

De Afdeling overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat de aan de geitenhouderij verpachte gronden niet door haar in gebruik zullen worden genomen. Voor de beoordeling of sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf dient uit te worden gegaan van de gronden die daadwerkelijk bij het bedrijf in gebruik zijn. Naar aanleiding van het behandelde ter zitting merkt de Afdeling op dat de vraag of anderszins een gestelde dubbeltelling van betekenis is, in deze procedure niet aan de orde kan komen, aangezien in beroep alleen de aanduiding van een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in de wijzigingsvoorwaarden, in geschil is gebracht.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat het hiervoor genoemde onderzoek zodanige gebreken of leemten vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.

Ter zitting is gebleken dat de geitenhouderij zich vooral zal richten op open beweiding. De Afdeling acht het standpunt van het college, dat de geitenhouderij daarmee beschouwd kan worden als een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet onredelijk.

Daarnaast is de Afdeling van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijfsplan realiteitswaarde mist.

Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het standpunt van verweerder, dat het plan voldoet aan de wijzigingsvoorwaarde dat het om een grondgebonden agrarisch bedrijf gaat dat aan ten minste één arbeidskracht werk en inkomen biedt, niet onjuist en tevens dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

218-449.