Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3927

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200303495/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 1993 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort (hierna: het college) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, aangeschreven de op het perceel [locatie] te Zandvoort (hierna: het perceel) aanwezige garage in overeenstemming te brengen met de daarvoor bij besluit van 20 oktober 1993 verleende bouwvergunning, waarbij is bepaald dat met de werkzaamheden een aanvang diende te zijn gemaakt vóór 15 november 1993 en dat deze vóór 1 december 1993 voltooid moesten zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303495/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 15 april 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 1993 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort (hierna: het college) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, aangeschreven de op het perceel [locatie] te Zandvoort (hierna: het perceel) aanwezige garage in overeenstemming te brengen met de daarvoor bij besluit van 20 oktober 1993 verleende bouwvergunning, waarbij is bepaald dat met de werkzaamheden een aanvang diende te zijn gemaakt vóór 15 november 1993 en dat deze vóór 1 december 1993 voltooid moesten zijn.

Bij besluit van 14 oktober 1997 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 1998, reg.nr: AWB 97/7802 heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 oktober 1997 vernietigd.

Bij uitspraak van 27 augustus 1999 zaak nr. H01.98.1827 heeft de Afdeling het door appellant tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd voorzover daarbij geen beslissing is genomen op het verzoek van appellant om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, de zaak in zoverre teruggewezen naar de rechtbank en de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigd.

Bij uitspraak van 15 februari 2002, reg.nr: AWB 99-8557 heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2002 heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij heeft het college de bezwaren van appellant deels gegrond, deels ongegrond verklaard, het besluit van 14 oktober 1997 herroepen en het besluit van 1 november 1993 zodanig gewijzigd dat de omschrijving van de werkzaamheden zoals neergelegd in de aan appellant ter zake op 19 november 1993 toegezonden brief, mede onderdeel uitmaakt van dat besluit.

Bij uitspraak van 15 april 2003, verzonden op 17 april 2003, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en het college, vertegenwoordigd door T. van der Kleij, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Een eerdere bestuursdwangaanschrijving aan appellant die strekt tot het verwijderen van de ondergrondse garage van 80 m2 op het perceel is bij uitspraak van de Afdeling rechtsspraak van de Raad van State van 3 september 1991, nr. R03.89.4530, in rechte onaantastbaar geworden. Het college is vervolgens niet tot uitvoering daarvan overgegaan om appellant alsnog de gelegenheid te bieden de garage in eigen beheer terug te brengen tot de volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan maximaal mogelijke oppervlakte van 50 m2. Appellant heeft daarvoor een bouwvergunning bij de gemeente gevraagd, die het college hem bij besluit van 20 oktober 1993, verzonden op 9 november 1993, heeft verleend. De thans in het geding zijnde bestuursdwangaanschrijving strekte ertoe te verzekeren dat vóór 1 december 1993 daadwerkelijk de gelegaliseerde situatie werd gerealiseerd. Onbestreden is dat het college daartoe bevoegd was.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich bij besluit van 6 september 2002 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het voor appellant ten tijde van het primaire besluit van 1 november 1993 voldoende duidelijk is geweest welke werkzaamheden hij ter voorkoming van de uitvoering van gemeentewege van de aangezegde bestuursdwang exact diende te verrichten.

2.2.1. Dat betoog faalt. Blijkens de tekst van het primaire besluit van 1 november 1993 zag de aanschrijving op het aanpassen van de garage aan de bouwvergunning conform de tekening die appellant op 31 augustus 1993 zelf had ingediend, naar appellant ter zitting ook heeft erkend. Niet valt in te zien dat op het moment van de aanschrijving niet duidelijk voor hem was dat hij de garage diende terug te brengen van 80 m2 tot de toegestane 50 m2. Dat de bouwvergunning voor een garage van 50 m2 (eerst) op 9 november 1993 aan appellant is bekendgemaakt, doet daaraan niet af. Anders dan appellant meent, kan uit de op 18 november 1993 gemaakte nadere afspraken tussen hem en het college, bij brief van 19 november 1993 schriftelijk aan hem bevestigd, niet worden opgemaakt dat eerst op dat moment duidelijk was vastgelegd, zoals hij stelt, wat hij moest doen om de aangezegde bestuursdwang te voorkomen. De aanschrijving strekte tot het geheel verwijderen van de aangegeven 30 m2, hetgeen aan duidelijkheid niets te wensen overliet. De nadere afspraken zijn gemaakt toen appellant, nadat van gemeentewege op 15 november 1993 een begin was gemaakt met de uitvoering, alsnog zelf uitvoering wenste te geven aan de aanschrijving, aangepast aan de wijze die hem op dat moment het beste uitkwam. Dat het college daarmee heeft ingestemd, betekent niet dat het primaire besluit voor onrechtmatig moet worden gehouden. Anders dan appellant meent, hield de eerder vermelde uitspraak van de rechtbank van 17 september 1998, bevestigd door de Afdeling bij eerder vermelde uitspraak van 27 augustus 1999, niet in dat het (eerste) besluit op bezwaar van 14 oktober 1997 werd vernietigd omdat het primaire besluit van 1 november 1993 op zichzelf niet de vereiste duidelijkheid bood, maar dat het college de na het primaire besluit overeengekomen nadere afspraken, ten onrechte niet in het besluit op bezwaar had opgenomen.

2.3. Appellant betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte niet het besluit van 6 september 2002 heeft vernietigd, nu het college zou hebben miskend dat de begunstigingstermijn in het besluit van 1 november 1993 onredelijk kort was. De Afdeling is van oordeel dat de gestelde begunstigingstermijn, die inhield dat vóór 15 november 1993 met de aanpassing van de garage moest zijn begonnen en dat deze aanpassing op 1 december 1993 gereed moest zijn, op zichzelf beschouwd kort is. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, mag er in dit geval echter niet aan worden voorbijgegaan, dat het college appellant naar aanleiding van de door hem ingezonden ontwerptekening voor de aanpassing van de garage al bij brief van 23 september 1993, verzonden 24 september 1993, had laten weten dat binnen een maand na de verzending van deze brief een aanvang met de aanpassing moest zijn gemaakt. In zoverre was de aanschrijving van 1 november 1993 voor appellant geen verrassing. De Afdeling neemt daarbij ook nog in aanmerking dat appellant, nadat van gemeentewege op 15 november 1993 was begonnen met de uitvoering, alsnog in de gelegenheid is gesteld zelf de uitvoering ter hand te nemen, nadat daarover vermelde afspraken waren gemaakt, vastgelegd in de brief van 19 november 1993. In zoverre is met deze brief aan appellant een nadere termijn geboden om uitvoering van gemeentewege te voorkomen. Voorzover appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij besluit op bezwaar van 6 september 2002 een nadere termijn diende te stellen, was dat op dat moment niet meer aan de orde, nu op 1 december 1999, en daarmee binnen de gestelde begunstigingstermijn, reeds naar genoegen van het college door appellant zelf uitvoering was gegeven aan de aanschrijving.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan,

ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

27-439.