Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200303222/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2002 heeft de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) een verzoek van appellant om (her)inslag van een identificatienummer in zijn voertuig van het merk Trabant en om teruggave van het kentekenbewijs buiten behandeling gesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 283 met annotatie van A.M.L. Jansen
JB 2004/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303222/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 3 april 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2002 heeft de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) een verzoek van appellant om (her)inslag van een identificatienummer in zijn voertuig van het merk Trabant en om teruggave van het kentekenbewijs buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 29 juli 2002 heeft de RDW het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en de RDW opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het door appellant ingediende bezwaar te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juli 2003 heeft de RDW van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2003, waar appellant in persoon en de RDW, vertegenwoordigd door mr. M.E. van Motman, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant kan zich in de eerste plaats niet vinden in de aangevallen uitspraak voor zover daarin is geoordeeld dat de weigering tot teruggave van zijn kentekenbewijs dient te worden gezien als een, niet als een besluit aan te merken feitelijke handeling waartegen in het kader van de bij de rechtbank voorliggende procedure niet kan worden opgekomen.

2.2. Hetgeen appellant dienaangaande heeft aangevoerd slaagt.

Appellant is er, onder toepassing van artikel 60, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, toe verplicht het kenteken in te leveren dat naar zijn stellen behoort bij zijn Trabant.

In artikel 60, vijfde en zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is geregeld in welke gevallen de RDW een kentekenbewijs of de ingevorderde delen daarvan teruggeeft. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen de noodzaak in het bezit te zijn van een kentekenbewijs, moet de weigering om toepassing te geven aan deze bepalingen worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De rechtbank heeft dit miskend en derhalve in zoverre ten onrechte van een inhoudelijke beoordeling van de beslissing op bezwaar afgezien.

2.3. De Afdeling overweegt voorts dat in dit geval de weigering van de RDW om het kentekenbewijs terug te geven niet los te zien is van zijn weigering om het identificatienummer (opnieuw) in te slaan. De (her)inslag van het identificatienummer was immers geweigerd vanwege het oordeel van de RDW dat het overgelegde kentekenbewijs niet bij het voertuig hoorde, zodat om die reden ook het kentekenbewijs niet kon worden teruggegeven.

Nu de ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant, gericht tegen de weigering om tot (her)inslag van het identificatienummer over te gaan naar het oordeel van de rechtbank geen stand kon houden wegens onvoldoende motivering, kon ook de ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant gericht tegen de weigering het kentekenbewijs terug te geven geen stand houden.

2.4. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn verzoek om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, faalt. Het besluit van 29 juli 2002 is vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. In verband hiermee heeft de rechtbank de RDW opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen en bestond voor haar geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

2.5. De slotsom is dat het hoger beroep van appellant gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de geweigerde teruggave van het kentekenbewijs gegrond is. Aangezien echter de beslissing van de rechtbank juist is, dient haar uitspraak, zij het met verbetering van de gronden waarop die beslissing rust, te worden bevestigd. De RDW dient een nieuwe beslissing op het door appellant gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Afdeling is overwogen. Hierbij wordt opgemerkt dat de RDW aan de opdracht van de rechtbank om binnen zes weken na de uitspraak opnieuw op het door appellant ingediende bezwaar te beslissen nog immer geen gevolg heeft gegeven. De Afdeling acht het geboden dat de RDW thans met voortvarendheid een nieuw besluit neemt.

2.6. De RDW dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop zij rust;

III. veroordeelt de Dienst Wegverkeer in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 118,73; het bedrag dient door de Dienst Wegverkeer te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de Dienst Wegverkeer aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. R.E.A. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

45-367.