Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3904

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200302101/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2000 heeft het dagelijks bestuur van het Plassenschap Loosdrecht en omstreken (hierna: het dagelijks bestuur) appellant onder aanzegging van een dwangsom van ƒ 100,00 (€ 45,38) per dag, met een maximum van ƒ 10.000,00 (€ 4537,80), gelast de twee door hem geplaatste palen en de daaraan bevestigde borden vóór 5 januari 2001 te verwijderen. Voorts heeft het dagelijks bestuur appellant onder aanzegging van een dwangsom van ƒ 100,00 (€ 45,38), met een maximum van ƒ 10.000,00 (€ 4537,80), gelast vóór 7 december 2001 de bij zijn perceel aanwezige beschoeiingen, althans soortgelijke werken, te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302101/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 februari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Plassenschap Loosdrecht en omstreken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2000 heeft het dagelijks bestuur van het Plassenschap Loosdrecht en omstreken (hierna: het dagelijks bestuur) appellant onder aanzegging van een dwangsom van ƒ 100,00 (€ 45,38) per dag, met een maximum van ƒ 10.000,00 (€ 4537,80), gelast de twee door hem geplaatste palen en de daaraan bevestigde borden vóór 5 januari 2001 te verwijderen. Voorts heeft het dagelijks bestuur appellant onder aanzegging van een dwangsom van ƒ 100,00 (€ 45,38), met een maximum van ƒ 10.000,00 (€ 4537,80), gelast vóór 7 december 2001 de bij zijn perceel aanwezige beschoeiingen, althans soortgelijke werken, te verwijderen.

Bij besluit van 1 juni 2001 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2003, verzonden op 19 februari 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2003 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Bij brief van 13 september 2003 hebben [partijen] die op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) als partij tot het geding zijn toegelaten, een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.M. Deveer, advocaat te Utrecht, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door H. Hijdra, werkzaam bij het Plassenschap Loosdrecht en omstreken, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte [partijen] als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt. Voorts zijn er volgens appellant geen machtigingen overgelegd van [drie van de partijen].

Voorzover zij wel als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt, is appellant van mening dat de aanwezige beschoeiing de vaarweg in het betreffende trekgat niet belemmert. De rechtbank heeft naar stellen van appellant voorts ten onrechte hun belangen betrokken in de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel. Nu aldus appellant geen sprake is van belanghebbenden, was er voor het dagelijks bestuur geen aanleiding om handhavend op te treden. Appellant heeft voorts betoogd dat hij ernaar streeft de historische toestand te herstellen, een streven dat past in het beleid van het dagelijks bestuur ten aanzien van natuurgebieden. Om die reden is naar zijn oordeel geen plaats voor de in het geding zijnde handhavende maatregelen. Dat het dagelijks bestuur de voorwaarde gesteld zou hebben dat er gebruik dient te worden gemaakt van natuurlijke beschoeiing en niet van kunstmatige als hier in het geding is appellant niet bekend.

2.2. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [partijen] belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Uit de stukken en de ter zitting overgelegde foto’s blijkt dat de eilanden van [partijen] in de directe nabijheid liggen van het perceel van appellant. Voorts is komen vast te staan dat de vaarweg via het trekgat, waaraan het perceel van appellant is gelegen, de kortste route is voor de [partijen] om naar hun eigen percelen te varen. Dat zij niet daadwerkelijk van het trekgat gebruik maken, om hun moverende redenen, leidt niet tot een ander oordeel.

Het handhavingsverzoek is door de vier betrokkenen ingediend en niet is gebleken dat zij op enig moment gedurende deze procedure te kennen hebben gegeven niet meer als belanghebbenden te willen worden aangemerkt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de door

[partijen] ingezonden reactie in hoger beroep door alle vier is ondertekend. Het betoog van appellant dat alleen [een van de partijen] een belanghebbende kan zijn, treft dan ook geen doel.

2.3. Vast staat dat appellant in strijd met artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening Bescherming Plassengebied beschoeiingen op zijn perceel heeft geplaatst en dat appellant niet over een ontheffing als bedoeld in artikel 16 van de Verordening Bescherming Plassengebied beschikt. Gelet hierop was het dagelijks bestuur bevoegd om appellant een last onder dwangsom op te leggen.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan een bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.

2.5. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat legalisering van de in het geding zijnde beschoeiingen niet mogelijk is.

2.6. Anders dan appellant heeft betoogd, kan niet worden staande gehouden dat het dagelijks bestuur bij afweging van de betrokken belangen ten onrechte de belangen van [partijen] heeft betrokken. De belangen van derden dienen mede te worden afgewogen bij het te nemen besluit.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de belemmering van de doorgang van het trekgat, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van het dagelijks bestuur dat de aanwezige beschoeiingen, nu deze uitsteken in de vaarweg en schade kunnen aanrichten aan passerende vaartuigen, de doorgang belemmeren. Ook dit betoog slaagt niet.

Van de door appellant gestelde gedoogsituatie is, nog daargelaten welke betekenis hieraan in dit geval zou moeten worden toegekend, niet gebleken. Uit de brief van 25 mei 2000 van de secretaris van de vaste commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften valt af te leiden dat de secretaris in de veronderstelling verkeerde dat de door appellant aangebrachte beschoeiingen een tijdelijk karakter hadden als hulpmiddel om de voormalige rietkraag te herstellen en de groei hiervan te bevorderen.

Dat appellant met de beschoeiing heeft beoogd de oude toestand ter plaatse te herstellen, is ook geen omstandigheid die het dagelijks bestuur aanleiding had moeten geven af te zien van optreden tegen de illegale situatie. Daarbij merkt de Afdeling op dat het dagelijks bestuur te kennen heeft gegeven op zichzelf geen bezwaren te hebben tegen herstel van de oude situatie van de rietkraag, doch dat dit dient te gebeuren met behulp van natuurlijke materialen en niet met kunstmatige beschoeiingen als onderhavige.

2.7. In hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, is eveneens geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het dagelijks bestuur van optreden tegen de illegale situatie af zou moeten zien. De conclusie van de rechtbank dat niet kan worden staande gehouden dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid tot handhaving van de lastgeving heeft kunnen komen, wordt door de Afdeling gedeeld.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

91-421.