Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200301077/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 28 januari 2002 heeft appellante een verzoek gedaan als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs

(hierna: WPO) om opneming van een tweede islamitische basisschool in het plan van nieuwe scholen voor de periode 2003-2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301077/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Islamitisch College", gevestigd te Schiedam,

appellante,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (thans: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 28 januari 2002 heeft appellante een verzoek gedaan als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs

(hierna: WPO) om opneming van een tweede islamitische basisschool in het plan van nieuwe scholen voor de periode 2003-2006.

Op dit verzoek heeft de raad van de gemeente Schiedam (hierna: de raad) niet vóór 1 augustus 2002 beslist.

Bij besluit van 23 september 2002 heeft de raad het plan van nieuwe scholen voor de periode 2003-2006 vastgesteld en het verzoek van appellante alsnog ingewilligd.

Bij besluit van 24 januari 2003 heeft verweerder het door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, voorzover het gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om opneming van een tweede islamitische school in het plan van nieuwe scholen voor de periode 2003-2006, en bepaald dat deze beslissing niet strekt tot het opnemen van de verlangde school in het eerstvolgende plan van scholen, zoals bedoeld in artikel 80, tweede lid, van de WPO.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 maart 2003.

Bij brief van 18 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door drs. W.H.A. Kleinbruinink en M. Talbi, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.Y. van Hattum, juridisch medewerkster van Centrale Financiën Instellingen, zijn verschenen. Het college van burgemeester en wethouders van Schiedam werd aldaar in zijn hoedanigheid van derde belanghebbende vertegenwoordigd door A.P.C.M. Kalkman en P. van den Berg, beiden ambtenaar der gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de WPO kan de bekostiging van een bijzondere school slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen.

Ingevolge artikel 74, tweede lid, van de WPO - voorzover thans van belang - stelt de gemeenteraad het plan, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, al dan niet in samenwerking met de raad van een of meer andere gemeenten, elk jaar voor 1 augustus vast.

In gevolge artikel 75, vierde lid, van de WPO worden bij ministeriële regeling modellen vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld in het eerste lid. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend.

Ingevolge artikel 76, tweede lid, van de WPO gaat het verzoek vergezeld van een prognose. De prognose bevat onder meer gegevens omtrent het belangstellingspercentage.

Ingevolge artikel 76, tweede lid, sub b, van de WPO wordt, indien het verzoek betrekking heeft op een school van een richting waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is, in de prognose uitgegaan van het belangstellingspercentage voor de school of scholen van die richting binnen de gemeente. De prognose kan tevens gegevens bevatten naar aanleiding van een directe meting.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de WPO neemt de gemeenteraad een bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grond van de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat de school binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm. De stichtingsnorm voor de gemeente Schiedam is 322 leerlingen.

Ingevolge artikel 78 van de WPO worden bij de berekening van het aantal leerlingen dat een openbare of een bijzondere school zal bezoeken, niet meegeteld leerlingen die wonen binnen redelijke afstand van een openbare school, onderscheidenlijk van een bijzondere school van de desbetreffende richting of richtingen en voor wie op die school plaatsruimte aanwezig is.

2.1.1. Ter uitvoering van artikel 75, vierde lid, van de WPO is op

30 maart 1994 de Regeling modelprognose basisonderwijs 1994 (hierna: de Regeling) vastgesteld, gepubliceerd in Uitleg OenW-regelingen nr. 10 van

13 april 1994. In de Modelprognose basisonderwijs 2001 van 5 juli 2001 (hierna: Modelprognose), gepubliceerd in Uitleg Gele katern nr. 18a van

25 juli 2001, wordt vooruitlopend op een aanpassing van de Regeling nader ingegaan op het opstellen van prognoses.

2.2. De raad heeft een voorstel tot vaststelling van een scholenplan voor de periode 2003-2006 behandeld in een vergadering van 8 juli 2002, welke is voortgezet op 9 juli 2002. Bij de stemming over een wijzigingsvoorstel staakten de stemmen, zodat overeenkomstig het bepaalde in de Gemeentewet het nemen van een beslissing is uitgesteld tot een volgende vergadering. De eerstvolgende raadsvergadering was op 23 september 2002, zodat het scholenplan niet tijdig voor 1 augustus 2002 kon worden vastgesteld. Bij brief van 11 juli 2002 is appellante meegedeeld dat haar verzoek om opname van een tweede islamitische basisschool in Schiedam in het plan van scholen 2003-2006 niet voor inwilliging in aanmerking is gekomen en dat de vaststelling van een plan van scholen voor 1 augustus 2002 achterwege is gebleven.

2.2.1. In de vergadering van de raad van 23 september 2002 zijn de beraadslagingen over het voorstel tot vaststelling van het plan van scholen 2003-2006 heropend. Na deze beraadslagingen heeft de raad besloten het voorstel met betrekking tot het plan van scholen ongewijzigd vast te stellen. In dit plan wordt het verzoek van appellante tot opname van een tweede islamitische basisschool, met als voorgestane openingsdatum 1 augustus 2003 en gesitueerd binnen de gemeente Schiedam, ingewilligd.

2.3. Verweerder heeft bij de beoordeling van het beroep het besluit van 23 september 2002 buiten beschouwing gelaten en het niet tijdig beslissen op het verzoek van appellante - mede gelet op de brief van 11 juli 2002 waarnaar appellante heeft verwezen - opgevat als een weigering om dat verzoek te honoreren.

2.4. Deze benadering is niet onjuist. Verweerder kon het besluit van

23 september 2002 niet in aanmerking nemen, nu hij op grond van

artikel 74, tweede lid, van de WPO slechts goedkeuring kan verlenen of onthouden aan een scholenplan dat voor 1 augustus van een bepaald jaar door de gemeenteraad is vastgesteld.

2.5. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verlangde school niet in het eerstvolgende plan van scholen kan worden opgenomen, zoals bedoeld in artikel 80, tweede lid, van de WPO, omdat niet aannemelijk is dat deze school overeenkomstig artikel 76, tweede lid, onder b, en artikel 77, eerste lid, van de WPO zal worden bezocht door het ingevolge artikel 77 van de WPO vereiste aantal leerlingen.

2.6. Appellante betoogt tevergeefs dat dit standpunt niet juist is.

Een nieuwe basisschool kan slechts voor bekostiging in aanmerking worden gebracht, indien op grond van de overgelegde prognoses aannemelijk is dat de school binnen vijf jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende vijftien jaar na deze periode zal worden bezocht door tenminste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de desbetreffende gemeente geldende stichtingsnorm, zoals door artikel 77, eerste lid, van de WPO vereist.

Ingevolge artikel 76, tweede lid, aanhef en onder b, van de WPO, voorzover hier van belang, dient de prognose te worden opgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 75, derde lid, overeenkomstig het prognosemodel en wordt, indien het betreft een school van een richting waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is, in de prognose uitgegaan van het belangstellingspercentage voor de school of scholen van die richting binnen de gemeente.

Ter zitting heeft appellante erkend dat het gemeentelijk belangstellingspercentage voor het islamitisch onderwijs in de gemeente Schiedam 4,7 % bedraagt. De stichtingsnorm voor een school in de gemeente Schiedam bedraagt 322 leerlingen. Het voedingsgebied van de nieuw op te richten school is Schiedam Zuid. Op grond van de basisgeneratie in dat gebied, mede gelet op het feitelijk te verwachten deelnamepercentage, gerelateerd aan het belangstellingspercentage als hiervoor bedoeld, kan het te verwachten leerlingenaantal als bedoeld in artikel 77 van de WPO worden berekend. Vervolgens moet op grond van artikel 78 van de WPO het aantal leerlingen dat woont binnen redelijke afstand van een bijzondere school van de desbetreffende richting voor wie op die school plaatsruimte aanwezig is, in mindering worden gebracht op het berekende aantal leerlingen voor de nieuw op te richten school.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat door appellante bovenstaande wijze van berekenen van de prognose te behoeve van haar aanvraag tot opname in het plan van scholen niet is toegepast. Verweerder is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is dat de tweede school voor islamitisch onderwijs binnen 5 jaar vanaf de datum van bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar, zal worden bezocht door het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente Schiedam geldende stichtingsnorm van 322 leerlingen als bedoeld in artikel 77 van de WPO.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Ramsahai

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

-401.