Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3889

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200300720/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2002, kenmerk ME/EP/UM/02054558, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Frisia Zout B.V. vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van pekelwinningslocatie Bethanië, gelegen aan de Bethaniëleane te Franekeradeel, kadastraal bekend gemeente Tzummarum, sectie F, nummer 218/219, in het gebied van de steenzoutconcessie “Barradeel II”. Dit besluit is op 24 december 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 22.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 38 met annotatie van K.D. Jesse
JOM 2006/1043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300720/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] te [plaats], zich noemende actiegroep "Laat het zout maar zitten",

en

de minister van Economische Zaken,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2002, kenmerk ME/EP/UM/02054558, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Frisia Zout B.V. vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van pekelwinningslocatie Bethanië, gelegen aan de Bethaniëleane te Franekeradeel, kadastraal bekend gemeente Tzummarum, sectie F, nummer 218/219, in het gebied van de steenzoutconcessie “Barradeel II”. Dit besluit is op 24 december 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 31 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 maart 2003.

Bij brief van 25 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2003. Daar zijn appellanten vertegenwoordigd door mr. K. Jurriens, advocaat te Noordwijk en mr. J.A.I. Wendt, gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. J.H. Keinemans en ing. M. Mezger, ambtenaren van het ministerie van Economische Zaken. Namens Frisia Zout B.V. is ter zitting het woord gevoerd door mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten keren zich primair tegen de wijze van totstandkoming en de reikwijdte van het voor deze vergunningprocedure opgestelde milieu-effectrapport (hierna te noemen: mer). Volgens hen had, voorafgaande aan het starten van de vele procedures die nodig zijn voor zoutwinning op deze locatie, een mer moeten worden opgesteld betreffende alle milieu-effecten van die winningslocatie, in plaats van een mer die zich slechts beperkt tot de activiteiten van de aan de orde zijnde milieuvergunning. Zij baseren dat standpunt op EG-richtlijn 97/11, waarin in Bijlage II is aangewezen als mer- plichtige activiteit: ondergrondse mijnbouw. Dat sprake is van ondergrondse mijnbouw leiden zij af uit de voorloper van die richtlijn (EG-richtlijn 85/377), waarin als mer-plichtige activiteit was aangewezen: winning van zout. Om die redenen had volgens hen voorafgaande aan deze vergunningprocedure alsnog een mer moeten worden opgesteld betreffende alle milieuaspecten van deze zoutwinningslocatie.

2.1.1. Ingevolge artikel 22.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, zoals dat artikellid luidde ten tijde van het nemen van het in geding zijnde besluit, is hoofdstuk 8 van die wet (inzake inrichtingen) niet van toepassing op bij mijnen behorende, ondergronds gelegen inrichtingen, waarop de Mijnwet 1903 van toepassing is. Hieruit moet worden afgeleid dat, overeenkomstig de aanvraag, de inrichting in de vergunning terecht is beperkt tot alleen het bovengrondse deel van de zoutwinningsinstallatie. Dat deel bestaat hoofdzakelijk uit een onbemand pompengebouw.

2.1.2. Verweerder heeft de mer-plicht van de inrichting gebaseerd op de Provinciale milieuverordening (PMV), waarin op grondslag van artikel 7.6 van de Wet milieubeheer is bepaald dat voor een inrichting in het Waddengebied die is bestemd voor winning en/of verwerking van zout dan wel uitbreiding van de winnings- en/of verwerkingscapaciteit van zout met 50 % of meer, een mer moet worden opgesteld. Daarbij zijn als de mer-plichtige besluiten aangewezen de besluiten waarop de afdelingen 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn.

2.1.3. De Afdeling stelt vast dat in deze vergunningprocedure ingevolge de Wet milieubeheer is voldaan aan de mer-plicht uit de PMV. Gesteld noch gebleken is dat de mer ondeugdelijk wat de bovengrondse inrichting betreft. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij de beslissing op de aanvraag voor de bovengrondse inrichting gehouden was een mer te verlangen voor ondergrondse mijnbouw. De mer die is opgesteld beperkt zich overigens niet tot de milieu-effecten van het bovengrondse deel, maar verschaft inzicht in alle milieuaspecten van de zoutwinningslocatie. De vraag of op grond van een andere wettelijke regeling reeds een verplichting bestond tot het opstellen van een mer voor de ondergrondse mijnbouw, valt buiten het bereik van deze procedure.

2.2. Appellanten voeren aan - kort samengevat - dat de zoutwinning leidt tot ontoelaatbare schade door bodemdaling.

2.2.1. Aan de hand van de stukken kan er van worden uitgegaan dat als gevolg van de zoutwinning er in enige mate bodemdaling zal optreden. Met het oog daarop voorzien het ontginningsplan en de concessie onder meer in een limitering van de bodemdaling tot 30 centimeter, een bewakingssysteem en in de oprichting van een schadefonds ter compensatie van de schade aan woningen. Verder liggen waterbeheersmaatregelen in de rede, teneinde de waterhuishoudkundige gevolgen van de bodemdaling te compenseren. In deze procedure is de doeltreffendheid van die maatregelen op grond van de mijnbouwwetgeving niet aan de orde. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen voor het oordeel dat in aanvulling op hetgeen reeds is geregeld in het kader van de mijnbouwwetgeving, in deze vergunning betreffende het bovengrondse gedeelte van de zoutwinningsinstallatie nadere regels omtrent bodemdaling nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu.

2.3. Gegeven de beperking die voortvloeit uit artikel 22.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, ziet de Afdeling in hetgeen overigens is aangevoerd omtrent de zoutwinningslocatie geen gronden die betrekking hebben op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

157.