Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3878

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200206111/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2002, kenmerk 2002/0664, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Organic Dairy Intern. 'De Dageraad' B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het produceren en opslaan van kaas op het adres [locatie] te Ven-Zelderheide, kadastraal bekend gemeente Ottersum, sectie E, nummer 804. Dit besluit is op 9 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2004/68 met annotatie van Wiggers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206111/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Ven-Zelderheide,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gennep,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2002, kenmerk 2002/0664, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Organic Dairy Intern. 'De Dageraad' B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het produceren en opslaan van kaas op het adres [locatie] te Ven-Zelderheide, kadastraal bekend gemeente Ottersum, sectie E, nummer 804. Dit besluit is op 9 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 april 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2003, waar appellanten, van wie [een van de appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. A.J. Likkel, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.P.A. Bots, ambtenaar van de gemeente, en ing. M.M.J. Pijnenburg, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is als partij vergunninghoudster, vertegenwoordigd door H.J.M. ten Dam, aldaar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten hebben het beroep voorzover dit betrekking heeft op de bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid en op gevreesde parkeeroverlast ter zitting ingetrokken.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover dat zich ertegen keert dat in het akoestisch rapport is opgenomen dat de weitank drie tot vier keer in de week wordt geleegd.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Anders dan verweerder heeft gesteld vindt het beroep wat betreft het in het akoestisch rapport opgenomen aantal keer per week dat de weitank wordt geleegd wel zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat het akoestisch rapport onjuist is opgesteld en waarin appellanten hebben betoogd geluidhinder te vrezen vanwege de onderhavige inrichting. Het beroep is in zoverre daarom ontvankelijk.

2.3. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten vrezen ten gevolge van het bestreden besluit een toename van de al jarenlang door hen ondervonden geluidhinder. Zij stellen in dit verband dat het akoestisch rapport van 25 januari 2001 dat is opgesteld door NIBAG B.V. geen representatief beeld geeft van de vanwege de inrichting optredende geluidniveaus. Naar hun mening zijn bij het onderzoek waarop dat rapport is gebaseerd niet alle relevante geluid veroorzakende activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden meegenomen. Zo zijn volgens appellanten de piekgeluiden veroorzaakt door het starten van vrachtauto’s en personenauto’s en het dichtslaan van portieren ten onrechte niet bij het onderzoek betrokken. Tevens zijn volgens appellanten ten onrechte de koelmotoren niet betrokken bij het onderzoek, wordt ten onrechte door verweerder gesteld dat het aantal vrachtauto’s dat de inrichting per dag zal aandoen in de nieuwe vergunde situatie niet zal wijzigen ten opzichte van de oude vergunde situatie en is het in het rapport opgenomen aantal keer per week dat de weitank wordt geleegd niet realistisch.

2.4.1. Verweerder betoogt dat de piekgeluiden van het starten van vrachtauto’s en personenauto’s en het dichtslaan van portieren bij het onderzoek zijn betrokken, omdat die piekgeluiden deel uitmaken van de piekgeluiden van de aan- en afvoerbewegingen van mobiele bronnen. Zij merken verder op dat een onjuist aantal vrachtwagenbewegingen in de considerans van het bestreden besluit is vermeld, maar dat het juiste aantal in het akoestisch rapport is opgenomen en bij de beoordeling van de geluidbelasting is betrokken. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de vrachtauto die op zondag de inrichting aandoet geen koelmotor in bedrijf heeft. Voor het geval appellanten ontvankelijk worden verklaard wat betreft het in het akoestisch rapport opgenomen aantal keer per week dat de weitank wordt geleegd, betoogt verweerder dat de weitank voldoende capaciteit heeft om ook bij uitbreiding van de opslag niet vaker dan drie tot vier keer in de week te hoeven worden geleegd.

2.4.2. Verweerder heeft zich ten tijde van het bestreden besluit bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de inrichting wat betreft de maandag tot en met de zaterdag gebaseerd op een akoestisch rapport van 25 januari 2001 en wat betreft de zondag op een aanvullend akoestisch rapport van 24 januari 2002, die beide zijn opgesteld door NIBAG B.V. Verweerder heeft naar aanleiding van het deskundigenbericht, ter vervanging van het rapport van 25 januari 2001, door NIBAG B.V. een nieuw akoestisch rapport doen opstellen, gedateerd 18 juli 2003. Dat rapport komt wat betreft de bij de beoordeling van de geluidbelasting betrokken geluidsbronnen overeen met het rapport van 25 januari 2001, behalve dat is uitgegaan van een gewijzigd bronvermogen van de motoren bij het oppompen van de wei en dat ook het bronvermogen van de koelmotor die het zuursel komt brengen bij de beoordeling is betrokken.

Blijkens de rapporten van 25 januari 2001 en 18 juli 2003 is bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de inrichting rekening gehouden met twaalf bewegingen van vrachtauto’s, terwijl blijkens het akoestisch rapport dat deel uitmaakt van de vergunning betreffende de onderhavige inrichting van 12 november 1997 rekening is gehouden met zes bewegingen van vrachtauto’s. Het feit dat in de considerans bij het bestreden besluit is gesteld dat het aantal bewegingen van vrachtauto’s gelijk blijft, wordt derhalve door de Afdeling beschouwd als een kennelijke verschrijving. Gelet hierop kan het beroep van appellanten in zoverre niet slagen.

Wat betreft het in het akoestisch rapport opgenomen aantal keer dat de weitank wordt geleegd overweegt de Afdeling dat blijkens de akoestische rapporten van 25 januari 2001 en 18 juli 2003 de geluidbelasting is beoordeeld tijdens een representatieve bedrijfssituatie, waarbij, anders dan door appellanten betoogd, is uitgegaan van het van maandag tot en met zaterdag een keer per dag legen van de weitank. Deze grond kan derhalve niet slagen.

Het is de Afdeling uit de stukken gebleken dat de piekgeluiden veroorzaakt door het starten van vrachtauto’s en personenauto’s en het dichtslaan van portieren niet zijn betrokken bij de akoestische onderzoeken waarop de rapporten van 25 januari 2001 en 18 juli 2003 zijn gebaseerd zonder dat een deugdelijke motivering is gegeven voor het achterwege laten daarvan. Het betoog van verweerder dat deze piekgeluiden dienen te worden begrepen onder de aan- en afvoerbewegingen van mobiele bronnen kan niet slagen. Het is de Afdeling tevens gebleken dat de piekgeluiden veroorzaakt door het starten van de vrachtauto en het dichtslaan van portieren niet zijn betrokken bij het aanvullend akoestisch onderzoek waarop het rapport van 24 januari 2002 is gebaseerd.

Wat betreft de koelmotoren stelt de Afdeling vast dat in het rapport van 18 juli 2003 de koelmotor van de vrachtauto die het zuursel komt brengen bij het akoestisch onderzoek is betrokken. Blijkens het rapport hebben de overige vrachtauto’s tijdens het laden en lossen de koelmotor uitstaan en derhalve is die niet bij de beoordeling betrokken. De Afdeling stelt echter vast dat het rapport van 18 juli 2003 na het bestreden besluit is opgesteld en dat het uitzetten van de koelmotoren tijdens het laden en lossen niet op grond van de vergunning is voorgeschreven. De Afdeling overweegt in dit verband verder dat er behalve het laden en lossen mogelijk andere momenten zijn dat de koelmotoren binnen de inrichting in werking zijn.

Het is de Afdeling gelet op het vorenstaande niet aannemelijk geworden dat de rapporten van 25 januari 2001 en 24 januari 2002 een representatief beeld geven van de vanwege de inrichting optredende geluidniveaus. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder bij de voorbereiding van het besluit niet de nodige kennis vergaard omtrent de vraag of aan de in het bestreden besluit gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidniveau (LMax) kan worden voldaan, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit is in zoverre tevens in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dat bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het rapport van 18 juli 2003, nog daargelaten dat dit na het bestreden besluit is opgesteld, biedt evenmin een representatieve weergave van de geluidemissies van de inrichting. Het beroep treft in zoverre doel. De grond inzake de levering van de melk op zondag behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking.

2.5. Appellanten betogen dat het geluidsscherm niet de juiste maatregel is om de geluidhinder te beperken. Zij voeren in dit verband onder meer aan dat de vrachtauto op een afstand van vijf meter van de slaapkamer van appellanten wordt gelost en dat de koelmotor draait op een hoogte van zeker vier meter, terwijl het geluidsscherm slechts 3,5 meter hoog is.

2.5.1. Ingevolge voorschrift 3.1.5 dient een geluidsscherm te worden geplaatst op de grens van de inrichting en de woning aan de [locatie]. Blijkens het akoestisch rapport van 18 juli 2003 dient de hoogte van het scherm minimaal 2,3 meter te bedragen opdat aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidniveau (LMax) kan worden voldaan. Zoals hierboven overwogen geeft het akoestisch rapport van 18 juli 2003 geen representatief beeld van de vanwege de inrichting optredende geluidniveaus. De Afdeling is van oordeel dat door verweerder, gelet op de omstandigheden van het geval, onvoldoende is gemotiveerd waarom wat betreft de dagperiode de geluidbelasting op een hoogte van 5 meter niet bij de beoordeling is betrokken. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht genomen, dat bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep treft in zoverre doel.

2.6. Appellanten vrezen dat hun veiligheid in gevaar wordt gebracht vanwege de ligging van de weitank. Zij voeren in dit verband aan dat boven de weitank een gasleiding en riolering zijn aangelegd waarboven een betonnen fundering is gestort.

2.6.1. Blijkens het deskundigenbericht voldoet de gasleiding die langs de weitank loopt aan de daaraan door het energiebedrijf gestelde eisen. Er is geen reden om aan te nemen dat deze bevindingen onjuist zijn. Gelet hierop kan deze beroepsgrond niet slagen.

2.7. Appellanten betogen dat voorschrift 3.1.6 niet zal worden nageleefd. Zij voeren aan dat het hoogst mogelijke toerental zal worden ingesteld, om zo spoedig mogelijk klaar te zijn met het oppompen.

2.7.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.8. Hetgeen in rechtsoverwegingen 2.4.2 en 2.5.1 is vermeld leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Nu de geluidsaspecten bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de vergunning kan worden verleend, dient het gehele besluit te worden vernietigd.

2.9. Verweerder dient op de hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gennep van 2 oktober 2002, kenmerk 2002/0664;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gennep in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 696,27, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Gennep te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Gennep aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

179-415.