Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3408

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
200304964/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 27 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkemade (hierna: het college) aan [vergunninghouder] medegedeeld dat de door haar ingediende bouwaanvraag op een formeel punt afwijkt van het geldende bestemmingsplan en dat daarom niet zonder meer kan worden overgegaan tot de afgifte van de gevraagde bouwvergunning.

Bij besluit van 15 februari 2002 heeft het college het daartegen door [vergunninghouder] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304964/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Regionaal Inspecteur van de VROM-Inspectie Regio Zuid-West, gevestigd te Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkemade.

1. Procesverloop

Bij brief van 27 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkemade (hierna: het college) aan [vergunninghouder] medegedeeld dat de door haar ingediende bouwaanvraag op een formeel punt afwijkt van het geldende bestemmingsplan en dat daarom niet zonder meer kan worden overgegaan tot de afgifte van de gevraagde bouwvergunning.

Bij besluit van 15 februari 2002 heeft het college het daartegen door [vergunninghouder] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2003, verzonden op 17 april 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.J.A. Vellekoop, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J.I.M. Seelen, advocaat te Leiden, A.H. Meerburg, burgemeester, C.W. Uittenboogaard, wethouder, J.J. Démoed en J.H.M. Berends, ambtenaren der gemeente en drs. D.J. Verhaak, R.B.O.I., zijn verschenen. Daar is ook gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. F.H.A.M. Thunnissen, advocaat te Den Haag en J.P. van Rijn.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet (oud) beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen.

Ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet (oud) is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid.

2.2. De brief van 27 juni 2001 heeft betrekking op de aanvraag om een bouwvergunning voor het oprichten van 74 zomerwoningen op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Alkemade (hierna: het bouwplan). Bij de bestreden beslissing op bezwaar heeft het college geoordeeld dat de brief van 27 juni 2001 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Appellant heeft in beroep betoogd dat de brief wel een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat binnen de in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet neergelegde termijn een besluit is genomen op de aanvraag om bouwvergunning en gelet op artikel 46, vierde lid, van de Woningwet geen bouwvergunning van rechtswege is ontstaan. Het beroep is door de rechtbank wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. Appellant betoogt in hoger beroep dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu de Afdeling in haar uitspraak van heden in de zaak met no. 200303347/1 heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en derhalve geen bouwvergunning van rechtswege is ontstaan, heeft appellant echter geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dat appellant griffierecht heeft betaald, zoals hij ter zitting nog heeft aangevoerd, is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.

2.4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004

47-398.