Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
200304980/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van Heusden (hierna: burgemeester en wethouders) een verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen voor de bouw van een loods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304980/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 13 juni 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van Heusden (hierna: burgemeester en wethouders) een verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen voor de bouw van een loods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 februari 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juni 2003, verzonden op 17 juni 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door ing. J.P.M. van der Heijden, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.M. Kiekebelt, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek om afgifte van een verklaring van geen bezwaar heeft betrekking op de bouw van een loods van 144 m2 ter vervanging van drie bestaande schuren met een totale oppervlakte van 312 m2. De nieuw te bouwen loods zal evenals de bestaande schuren, worden gebruikt voor de stalling van werktuigen en machines en voor de opslag van grondstoffen en voorraden ten behoeve van het beheer van landbouwgrond van appellant in het buitengebied ten zuiden van Vlijmen.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “De Vlaemsche Hoeve” zijn de betreffende gronden bestemd voor “Woondoeleinden”. Het beoogde gebruik van de loods is, anders dan appellant ook ter zitting nog heeft gesteld, met deze bestemming in strijd. Niet staande kan worden gehouden dat stalling van machines en werktuigen en opslag van grondstoffen en voorraden ten behoeve van het beheer van landbouwgrond in overeenstemming met de woonbestemming is.

2.3. Appellant komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid de gevraagde verklaring van geen bezwaar heeft kunnen weigeren en deze weigering bij het bestreden besluit heeft kunnen handhaven.

2.4. Bij de vaststelling in 1998 van het geldende bestemmingsplan “De Vlaemsche Hoeve” is er uitdrukkelijk voor gekozen om de op dat moment reeds bestaande bebouwing en activiteiten met een bedrijfsmatig karakter op het perceel niet positief te bestemmen, maar daaraan de bestemming “Woondoeleinden” toe te kennen, waarbij de bestaande bebouwing en activiteiten onder het overgangsrecht zijn gebracht. Het plan is aldus gericht op sanering van de agrarische bedrijvigheid ter plaatse.

Het college stelt zich op het standpunt dat de bouw van de loods in strijd is met de woonfunctie van het perceel en de intentie ondergraaft om op termijn de bedrijvigheid ter plaatse te beëindigen. Het college acht in hetgeen burgemeester en wethouders en appellant hebben aangevoerd geen redenen gelegen de bouw van de loods toch toe te staan. Daar komt nog bij dat de oppervlakte van de loods de door het college maximaal aanvaardbaar geachte oppervlakte op grote percelen ruimschoots overschrijdt.

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college de gevraagde verklaring van geen bezwaar niet in redelijkheid op deze gronden heeft kunnen weigeren. Daarbij is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de redenen waarom burgemeester en wethouders aan realisering van de loods medewerking willen verlenen, geen inzicht verschaffen in hun planologische visie op het perceel in zijn omgeving. Dat naar de mening van appellant de nieuwbouw van de loods een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie oplevert, omdat de omvang van de loods geringer is dan de totale oppervlakte van de bestaande bebouwing en deze in de plaats komt van in slechte staat verkerende bebouwing, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling komt derhalve tot geen andere conclusie dan de rechtbank.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004

58-439.