Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
200303736/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Nuth, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 mei 2002, vastgesteld het bestemmingsplan “De Eijken”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303736/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Nuth,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Nuth, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 mei 2002, vastgesteld het bestemmingsplan “De Eijken”.

Bij besluit van 11 februari 2003, kenmerk 2003/5560, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij fax-bericht van 12 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 8 oktober 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door ing. H.N.J.M. Steins, gemachtigde,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.J.M. Timmerman, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

Voorts is gehoord de gemeenteraad van Nuth, vertegenwoordigd door

mr. C.P.M. Thevis, ambtenaar der gemeente.

Desgevraagd heeft de gemeenteraad van Nuth nadere stukken ingediend, welke aan de andere partijen zijn toegezonden.

Partijen hebben toestemming verleend voor het achterwege blijven van een nadere zitting.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot woningbouw op de gronden van het sportpark “de Keelkamp”, gelegen aan de zuidelijke rand van de kern Nuth.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan het plan.

2.3. Appellanten kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen en stellen in beroep dat verweerder tevens goedkeuring had dienen te onthouden aan de bestemmingen “Uit te werken woondoeleinden” en “Woondoeleinden W5” ten westen en ten noorden respectievelijk ten westen van [perceel] aan de [locatie] te Nuth.

Ten behoeve van hun restaurant houden appellanten bedrijfsmatig vee.

Zij zijn van mening dat in het plan rekening had moeten worden gehouden met een hindercirkel rondom hun bedrijf.

Voorts zijn appellanten van mening dat op basis van artikel 7 van de planvoorschriften ten onrechte geen nadere regels zijn gesteld ten aanzien van het niet bouwen binnen de hindercirkel van hun [perceel].

2.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de bestemming “Horecadoeleinden”, welke bestemming aan het perceel [locatie] is toegekend alsmede aan artikel 8 van de planvoorschriften (“Horecadoeleinden”). Voorts heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de bestemming “Woondoeleinden W4”, welke bestemming aan de gronden gelegen aan de Pingerweg en de Ping is toegekend alsmede aan het daarmee corresponderende planvoorschrift artikel 6, lid F. Tevens heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de verwijzing op de plankaart naar artikel 7, tweede lid, onder 6, zijnde de hindercirkel in verband met de op het perceel van appellanten aanwezige gastank.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat noch in het plan noch in de toelichting van het plan enige aandacht wordt besteed aan de aanwezigheid van de veestapel op het perceel van appellanten. De gemeenteraad heeft niet aangegeven dat binnen de planperiode een einde wordt gemaakt aan dat gebruik, dan wel dat er een dusdanige afbouw daarvan plaats zal vinden dat er geen sprake meer is van een bedrijfsmatig karakter. De huidige agrarische activiteiten zijn niet opgenomen in het plan en daarmee heeft de gemeenteraad impliciet uitgesproken de activiteiten te willen beëindigen zonder daarbij aan te geven op welke wijze. In verband hiermede heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de hiervoor vermelde plandelen.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, zolang er geen duidelijkheid bestaat over [perceel], geen goedkeuring kan worden verleend aan de naastgelegen directe bouwtitel “Woondoeleinden W4” (hoek Pingerweg en de Ping), aangezien daar geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Verweerder is van mening dat het plan voor het overige niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Ten aanzien van de bestemming “Woondoeleinden W5”, gelegen ten westen van [perceel] heeft verweerder zich blijkens het verweerschrift alsmede ter zitting op het standpunt gesteld dat dit reeds bestaande woonbebouwing betreft die niet verder mag worden uitgebreid.

Met betrekking tot de bestemming “Uit te werken doeleinden”, ten westen en ten noorden van [perceel] heeft verweerder zich blijkens het verweerschrift alsmede het verhandelde ter zitting op het standpunt gesteld dat dit een bestemming betreft die op grond van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening nader dient te worden uitgewerkt en zijn goedkeuring behoeft. Het niet kunnen garanderen van een goed woon- of leefklimaat kan reden zijn om goedkeuring aan het wijzigingsplan te onthouden. Op deze manier kan verweerder ontwikkelingen die in strijd komen met een goede ruimtelijke ordening tegengaan.

2.5. De Afdeling stelt voorop dat in dit geschil uitsluitend de goedkeuring van de bestemmingen “Woondoeleinden W5” en “Uit te werken doeleinden” alsmede van artikel 7 van de planvoorschriften ter beoordeling voorligt.

2.6. Blijkens het deskundigenbericht is op circa 10 respectievelijk 20 meter afstand van [perceel] in het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw een appartementencomplex gebouwd. In het voorliggende plan is hieraan de bestemming “Woondoeleinden W5” toegekend.

Blijkens de planvoorschriften is uitbreiding van het huidige bebouwingsvlak niet toegestaan.

Nu het bestaande bebouwing betreft die niet verder mag worden uitgebreid en waarvan vaststaat dat het gebruik hiervan niet binnen de planperiode zal worden beëindigd en ook overigens niet is gebleken dat het bedrijf van appellanten afbreuk doet aan het leef- en woonklimaat ter plaatse, is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.7. Vaststaat dat de gemeenteraad van Nuth ten gevolge van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring een plan als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening met betrekking tot de gronden van appellanten dient vast te stellen. Hiertoe dient de gemeenteraad nader onderzoek te verrichten naar de bedrijfsactiviteiten van appellanten op het perceel [locatie] en dient de gemeenteraad na te gaan of de wijze waarop het bedrijf van appellanten wordt geëxploiteerd het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op nadelige wijze beïnvloedt. In dit verband zal de gemeenteraad tevens de vraag dienen te beantwoorden of ten behoeve van het bedrijf van appellanten een hindercirkel moet worden opgenomen, anders dan de reeds op de plankaart aangegeven hindercirkel, in verband met de aanwezigheid van een gastank op het perceel.

Appellanten kunnen dit aspect tijdens de procedure over het nieuwe plan op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsnog aan de orde stellen.

2.8. Blijkens de plankaart is aan de gronden ten westen en ten noorden van [perceel] de bestemming “Uit te werken doeleinden” toegekend. Uit artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften volgt dat deze gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, groenvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut en bijbehorende voorzieningen. Uit artikel 7, tweede lid, aanhef, van de planvoorschriften volgt dat het college van burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening deze bestemming uitwerken met inachtneming van de uitwerkingsregels.

Anders dan de eerdergenoemde hindercirkel in verband met de gastank, is in de uitwerkingsregels geen bepaling opgenomen met betrekking tot het niet mogen bouwen binnen een cirkel, zoals door appellanten gewenst in verband met de aanwezigheid van vee op hun perceel.

Uit de uitwerkingsregels volgt dat tot het tijdstip waarop het uitgewerkte plan rechtskracht heeft verkregen niet mag worden gebouwd, tenzij

de op te richten bebouwing overeenstemt met, dan wel op verantwoorde wijze kan worden ingepast in een vastgestelde uitwerking of een daarvoor gemaakt ontwerp en mits verweerder vooraf heeft verklaard, dat hij tegen het verlenen van de vereiste bouwvergunning geen bezwaar heeft.

Gelet op het vorengaande is het niet mogelijk op basis van het voorliggende plan in het plangebied te bouwen.

Voorts dient ingevolge artikel 7, tweede lid, onder 2, van de planvoorschriften, bij de uitwerking de uitgangspunten zoals opgenomen in het beeldkwaliteitplan “De Eijken” in acht te worden genomen.

In het beeldkwaliteitplan zijn de plaats en de aard van de woonbebouwing gedetailleerd aangegeven. In het beeldkwaliteitplan wordt uitgegaan van woonbebouwing op een afstand van ongeveer 50 meter van het bedrijf van appellanten, zijnde de door appellanten gewenste afstand.

Verder maakt de bestemming “Uit te werken woondoeleinden” de verwezenlijking van diverse doeleinden en voorzieningen mogelijk. Derhalve bestaat de mogelijk de gronden met deze bestemming zodanig in te richten dat er geen stankgevoelige bebouwing binnen een afstand van ongeveer

50 meter van het bedrijf van appellanten kan worden opgericht.

Gelet op deze omstandigheden ziet de Afdeling geen grond om te oordelen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.9. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht in zoverre goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004

328.