Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3395

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
200305144/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2003 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) aan appellant een verklaring van geschiktheid afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie(ën) A, B en B+E, onder de beperking "alleen tijdens privégebruik" (code 100).

Bij besluit van 19 juni 2003 heeft het CBR het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2003, verzonden op 15 juli 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305144/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2004.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem van 7 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2003 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) aan appellant een verklaring van geschiktheid afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie(ën) A, B en B+E, onder de beperking "alleen tijdens privégebruik" (code 100).

Bij besluit van 19 juni 2003 heeft het CBR het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2003, verzonden op 15 juli 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 augustus 2003 heeft het CBR van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2003, waar appellant in persoon, vertegenwoordigd door mr. G. de Hoogd, advocaat te Purmerend, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Jol-de Vries, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter uitvoering van de Wegenverkeerswet 1994 zijn verschillende regelingen vastgesteld, waaronder het Reglement rijbewijzen, de Regeling codering beperkingen rijbevoegdheid en de Regeling eisen geschiktheid 2000.

2.2. Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen geeft het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel geeft het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen slechts voldoet indien hij het door hem te besturen motorrijtuig gebruikt voor privé-doeleinden, een verklaring van geschiktheid af waarin die beperking is aangeduid met een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.

In de bijlage behorende bij de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid, zoals gewijzigd op 18 mei 2000, Stcrt. 23 mei 2000, nr. 99, is onder code 100 vermeld: "Alleen tijdens privé gebruik".

Ingevolge artikel 1 van de Regeling eisen geschiktheid 2000, Stcrt. 23 mei 2000, nr. 99 (hierna: de Regeling) wordt onder "groep 1" verstaan: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B, en B+E.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze Regeling behorende bijlage.

2.3. De Regeling is laatstelijk bij besluit van 24 januari 2002, Stcrt. 2002, nr. 20, gewijzigd. Bij deze wijziging, die op 1 februari 2002 in werking is getreden, is paragraaf 7.6 "Afwijking in de hersendoorbloeding" vervangen door een nieuwe paragraaf 7.6 "Doorbloedingsstoornissen van de hersenen". Doorbloedingsstoornissen omvatten onder meer beroerten (hersenbloeding of herseninfarct, ook wel CVA). In paragraaf 7.6.1 is bepaald dat strengere eisen moeten worden gesteld aan houders van een rijbewijs van groep 1, die dit rijbewijs beroepsmatig gebruiken (bijvoorbeeld taxichauffeurs, chauffeurs van busjes voor personenvervoer). Aan hen moeten daarom dezelfde eisen worden gesteld als aan personen met een groep 2 rijbewijs. Aanvragers van een groep 1 rijbewijs, die niet tevens voldoen aan de eisen voor groep 2, kunnen daarom alleen geschikt worden verklaard als het gebruik van het rijbewijs wordt beperkt tot privé gebruik. In paragraaf 7.6.2.2 is - voor zover hier van belang - bepaald dat na een TIA of beroerte personen ongeschikt zijn voor rijbewijzen van groep 2 voor een periode van vijf jaar.

2.4. Bij de wijziging van de Regeling is geen overgangsbepaling opgenomen. Anders dan appellant betoogt is de datum van de aanvraag van de verklaring van geschiktheid bepalend voor de toepasselijkheid van de gewijzigde Regeling en niet de datum waarop de aandoening heeft plaatsgevonden. De aanvraag van appellant dateert van 3 januari 2003, zodat deze terecht is getoetst aan de Regeling zoals die per 1 februari 2002 is gewijzigd.

2.5. Vast staat dat appellant, die chauffeur is van lijk- en rouwwagens, op 17 augustus 2001 is getroffen door een CVA. Gelet op het dwingend bepaalde in paragraaf 7.6.1 en paragraaf 7.6.2.2 van de Regeling, had het CBR geen andere mogelijkheid dan de door appellant gevraagde verklaring af te geven onder de beperking "alleen tijdens privé gebruik". Het voorschrift laat geen ruimte om in andere zin te beslissen. Anders dan appellant betoogt volgt hieruit tevens dat het CBR niet was gehouden tot een verderstrekkende motivering ten aanzien van genoemde beperking. De voorzieningenrechter is terecht en op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Bastein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004.

13.