Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
200302741/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2002 heeft de gemeenteraad van Maasdonk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 augustus 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Heiduinen (kern Nuland)".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302741/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Nuland,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Nuland,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2002 heeft de gemeenteraad van Maasdonk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 augustus 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Heiduinen (kern Nuland)".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 maart 2003, no. 858023, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2003, en appellanten sub 2 bij brief van 6 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2003, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 mei 2003. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 18 juni 2003.

Bij brief van 17 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 oktober 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2004, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door P.M.A. van Beek, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door drs. I.C.M. Loos-van Loon, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

Appellanten sub 2 zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan is beoogd de bouw van ongeveer 60 woningen mogelijk te maken. Het plangebied ligt in het noordwestelijke gedeelte van de kern Nuland en wordt begrensd door de Achtersteweg, de Kerkstraat en de Korte Kerkstraat.

Beroepsgronden van [appellant sub 1]

2.3. Appellant stelt in beroep dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover zijn perceel, dat grenst aan het plangebied, daarin niet is opgenomen. Volgens appellant heeft de gemeenteraad hiertoe wel verwachtingen gewekt. Appellant wil de desbetreffende gronden benutten voor woningbouw.

Tevens stelt hij dat zijn perceel in het plan verwordt tot een zogenoemd ‘niemandsland’, aangezien zijn gronden ook geen deel uitmaken van het gebied waarop het bestemmingsplan "Buitengebied" betrekking heeft.

2.3.1. De gemeenteraad acht de houtwal direct ten oosten van het perceel van appellant zowel landschappelijk als stedenbouwkundig gezien een logische grens van het plangebied.

2.3.2. Verweerder heeft de plangrens niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd. Hij heeft daarbij betrokken dat de meest westelijk in het plangebied gelegen houtwal een goed herkenbare grens is tussen enerzijds het gebied voor de voorgenomen woningbouw ten oosten van de houtwal en anderzijds het westelijk gelegen gebied met hoge natuurwaarden.

2.3.3. Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

Blijkens de stukken ligt ten westen van de houtwal een gebied met hoge actuele natuurwaarden met name voor reptielen en amfibieën. Het gebied ten oosten van de houtwal, waar de woonwijk is voorzien, is blijkens de stukken in gebruik als renbaan voor paarden en voor akkerbouw. Dit gebied kent behalve in een kleine hoek aan de westkant geen hoge actuele natuurwaarden. Verweerder heeft de houtwal als een duidelijk in het landschap herkenbare grens kunnen aanmerken tussen de twee hiervoor genoemde gebieden. Dat de houtwal naar de stelling van appellant verplaatsbaar is, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders.

Ten aanzien van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het perceel ook tot het plangebied zou behoren. Dat het perceel van appellant in het voor-ontwerp van het bestemmingsplan was opgenomen, kan, in tegenstelling tot hetgeen appellant stelt, niet zonder meer als een zodanige verwachting gelden.

Ten aanzien van de stelling van appellant omtrent het verworden van zijn perceel tot ‘niemandsland’ overweegt de Afdeling dat het perceel op grond van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” van de voormalige gemeente Rosmalen de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en rekreatieve betekenis” heeft.

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Beroepsgronden van [appellanten sub 2]

2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat het plan op het punt van de grondwaterbescherming in strijd is met het streekplan “Brabant in Balans” (hierna: het streekplan).

2.4.1. De gemeenteraad heeft het plan vastgesteld om te kunnen voldoen aan de vraag naar gedifferentieerde woningbouw. Hij acht de locatie “Heiduinen” daarvoor aangewezen. Deze locatie ligt, aldus de gemeenteraad, in een 25-jaarszone van een zeer kwetsbare grondwaterwinning, waar het in beginsel op grond van het provinciale beleid niet is toegestaan kapitaalintensieve investeringen te doen. Nu echter is voldaan aan de voorwaarden waaronder verweerder toepassing kan geven aan het in het streekplan opgenomen overgangsbeleid, is volgens de gemeenteraad op grond van dat overgangsbeleid woningbouw ter plaatse mogelijk.

2.4.2. Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het plan voorziene woningbouw weliswaar in strijd is met de in het streekplan opgenomen beleidslijn ten aanzien van grondwaterbeschermingszones, maar dat hij desondanks met het plan kan instemmen, aangezien het van het streekplan deel uitmakende overgangsbeleid in die mogelijkheid voorziet. Bovendien heeft de gemeenteraad, aldus verweerder, een nadere afweging gemaakt omtrent de aanvaardbaarheid van woningbouw in de grondwaterbeschermingszone. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat het gebied naar zijn verwachting bij het opnieuw vaststellen van de beschermingszones niet langer deel zal uitmaken van de 25-jaarszone, maar van de 100-jaarszone.

2.4.3. Verweerder heeft aan zijn besluit tot goedkeuring het overgangsbeleid van het streekplan ten grondslag gelegd.

Het streekplan is door provinciale staten op 22 februari 2002 vastgesteld. In het streekplan is vermeld dat het ruimtelijke beleid zoals dat daarin is geformuleerd, geldt met ingang van de dag van publicatie. Voorts is daarin vermeld dat verweerder medewerking kan verlenen aan plannen en projecten die strijdig zijn met de beleidslijnen van het streekplan, maar waarover de provinciale planologische commissie voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit streekplan positief heeft geadviseerd in het kader van het overleg op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna te noemen: Bro), mits er sedert het uitbrengen van dit advies niet meer dan een jaar is verstreken.

Het streekplan is in werking getreden op 15 maart 2002 door publicatie in de Staatscourant. Niet in geschil is dat het plan in strijd is met de beleidslijnen van het streekplan. Uit de stukken blijkt voorts dat de provinciale planologische commissie in het kader van het overleg op grond van artikel 10 van het Bro, op 29 augustus 2001 advies heeft uitgebracht omtrent het voorontwerp van het plan. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (18 maart 2003) was derhalve meer dan een jaar verstreken. Gelet hierop kon verweerder geen toepassing geven aan het overgangsbeleid. De uitleg van verweerder ter zitting dat met het overgangsbeleid is beoogd hem de mogelijkheid te geven medewerking te verlenen aan plannen die strijdig zijn met de beleidslijnen uit het streekplan, maar die binnen een jaar zijn vastgesteld door de gemeenteraad nadat een positief advies door de provinciale planologische commissie is gegeven, strookt niet met de tekst van het overgangsbeleid.

Nu verweerder dit overgangsbeleid aan zijn besluit tot goedkeuring ten grondslag heeft gelegd, berust het besluit niet op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige bezwaren van appellanten geen bespreking.

Nu het beroep van [appellant sub 1] de begrenzing van het plan betreft, die onderdeel van het plan is, deelt zijn beroep in de gegrondverklaring van het beroep van [appellanten sub 2].

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 maart 2003, no. 858023;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van totaal € 966,00; dit bedrag dient door de provincie als volgt te worden betaald:

-aan [appellant sub 1] € 483,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

-aan [appellanten sub 2] gezamenlijk € 483,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan beide appellanten afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Nolles

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004

291-425.