Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
200302485/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2003, kenmerk 315194, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor de verwerking van groente en fruit op het perceel [locatie sub 1] te Brielle, kadastraal bekend gemeente Brielle, sectie […], nummer [...]. Dit besluit is op 27 maart 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302485/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Brielle,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2003, kenmerk 315194, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor de verwerking van groente en fruit op het perceel [locatie sub 1] te Brielle, kadastraal bekend gemeente Brielle, sectie […], nummer [...]. Dit besluit is op 27 maart 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 15 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 24 september 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2004, waar appellant in persoon en vertegenwoordigd door mr. J.J. van der Pelt, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.M.W. Schrier, ambtenaar van de DCMR Milieudienst Rijnmond, en A.J.A. Wassink en N. de Jong, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door S.A. Varenkamp-van Vliet en E.W. Voogd, gemachtigden, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellant vreest geurhinder. Hij meent dat in de vergunning had moeten worden voorgeschreven dat geen van de binnen de inrichting plaatsvindende activiteiten geurhinder buiten de inrichting mag veroorzaken. Voorts brengt volgens appellant het ALARA-beginsel met zich dat voorgeschreven had moeten worden dat alle activiteiten die geurhinder veroorzaken, inpandig dienen plaats te vinden.

2.2.1. Ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geurhinder heeft verweerder de voorschriften 2.3.3, 2.3.4, 2.4.1 tot en met 2.4.3, en 3.1.6 aan de vergunning verbonden.

Ingevolge voorschrift 2.3.3 moeten groente- en fruitafval en soortgelijke afvalstoffen zo vaak als nodig doch ten minste eenmaal per week uit de inrichting worden afgevoerd. Het afvoeren moet zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden.

Ingevolge voorschrift 2.3.4 heeft voorschrift 2.3.3 geen betrekking op de opslag van groente- en fruitafval in een kieper onder de taifun. Dit afval moet dagelijks worden afgevoerd.

Ingevolge voorschift 2.4.1 mag de van afvalstoffen afkomstige geur zich niet buiten de inrichting verspreiden.

Ingevolge voorschrift 2.4.2 moet groente- en fruitafval worden opgeslagen in een gesloten (pers)container of zijn afgedekt met een zeil of een vergelijkbare voorziening.

Ingevolge voorschrift 2.4.3 heeft voorschrift 2.4.2 geen betrekking op de opslag van groente- en fruitafval dat wordt gestort in een kieper die is geplaatst onder de taifun. Een volle kieper moet in afwachting van verder transport wel worden afgedekt met een zeil.

Ingevolge voorschrift 3.1.6 mag het doorvoeren en bufferen van afvalwater in of via bassins, opvangbakken of kelders geen geurhinder veroorzaken nabij woningen. Ter voorkoming van eventuele geurhinder moeten bassins en opvangbakken zijn afgedekt met een zeil of een vergelijkbare voorziening.

Ten slotte is in hoofdstuk 2.3 van de voorschriften op verschillende plaatsen de verplichting opgenomen te voorkomen dat afval zich verspreidt.

2.2.2. De Afdeling concludeert uit het deskundigenbericht dat geur kan vrijkomen als gevolg van de activiteiten in de productieruimte en als gevolg van de opslag van groente- en fruitafval. De Afdeling acht het, mede gelet op dit deskundigenbericht, en gezien de afstand tussen de productieruimte en de woningen van derden, niet aannemelijk dat geur als gevolg van de werkzaamheden in de productieruimte hinder van enige relevante omvang zal veroorzaken ter plaatse van woningen van derden.

Wat de geurhinder als gevolg van de opslag van groente- en fruitafval betreft overweegt de Afdeling als volgt. In de aanvraag is vermeld dat dit afval, voorzover afkomstig uit gebouw 2, wordt afgevoerd via kuubskisten en dat dit dagelijks geschiedt. Voorts staat in de aanvraag dat het groenteafval uit gebouw 1 voor 90% direct wordt afgevoerd naar de kieper onder de taifun. Ingevolge voorschrift 2.3.4 moet dit afval dagelijks worden afgevoerd. Van al het binnen de inrichting aanwezige groenteafval hoeft alleen 10% afkomstig uit gebouw 1 niet dagelijks te worden afgevoerd, maar wekelijks. In het deskundigenbericht is vermeld - en de Afdeling ziet geen reden om hieraan te twijfelen – dat het afval bij wekelijkse afvoer kan gaan rotten en geurhinder kan veroorzaken. Nu de in voorschrift 2.3.3 opgenomen zinsnede “zo vaak als nodig” aanleiding kan geven tot onduidelijkheid over de frequentie van de afvoer en aannemelijk is geworden dat afvoer eenmaal per week onvoldoende is ter voorkoming van geurhinder, is het bestreden besluit op dit punt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Overigens is ter zitting gebleken dat in de praktijk al het van de inrichting afkomstige groente- en fruitafval dagelijks wordt afgevoerd. Partijen zijn het erover eens dat het voorschrift dienovereenkomstig zou moeten worden aangepast. De Afdeling zal hiertoe zelf in de zaak voorzien.

Voor het overige is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verdergaande voorschriften ter beperking van geurhinder niet nodig zijn.

2.3. Appellant vreest geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting en is van mening dat alle geluidhinder veroorzakende activiteiten inpandig dienen plaats te vinden.

2.3.1. Ingevolge voorschrift 6.1.1 mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten ter plaatse van de gevels van de woningen aan de Kloosterweg en de Aelbrechtsweg niet meer bedragen dan:

- 45 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 40 dB(A) op 1,5 en 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 35 dB(A) op 1,5 en 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

Ingevolge voorschrift 6.1.2 mag het maximale geluidniveau (Lmax ) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, met uitzondering van de activiteiten zoals genoemd in voorschrift 6.1.3, ter plaatse van de gevels van de woningen aan de Kloosterweg en de Aelbrechtsweg niet meer bedragen dan:

- 60 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 55 dB(A) op 1,5 en 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 50 dB(A) op 1,5 en 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

Ingevolge voorschrift 6.1.3 mag het maximale geluidniveau (Lmax ) veroorzaakt door de transportbewegingen en de laad- en losactiviteiten op het terrein van de inrichting, ter plaatse van de gevels van de woningen aan de Kloosterweg en de Aelbrechtsweg niet meer bedragen dan:

- 64 dB(A) op 1,5 en 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 56 dB(A) op 1,5 en 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

Ingevolge voorschrift 6.1.4 is het in voorschrift 6.1.3 gestelde niet van toepassing op één transportbeweging tussen 06.00 uur en 07.00 uur. Dit voorschrift is niet van toepassing op zon- en feestdagen.

Ingevolge voorschrift 6.2.1 is het in het bestreden besluit met betrekking tot het maximale geluidniveau gestelde niet van toepassing op de transportbewegingen en het laden of het lossen ten behoeve van de inrichting voorzover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur.

2.3.2. Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit heeft verweerder bij de beoordeling van de geluidbelasting van de inrichting ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) gehanteerd. Dit hoofdstuk beveelt aan in geval van bestaande inrichtingen voor de vaststelling van de langtijdgemiddelde geluidniveaus de in tabel 4 van de Handreiking genoemde richtwaarden te toetsen. Een overschrijding van de richtwaarden is volgens de Handreiking toegestaan tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Een overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid kan in bepaalde gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij bestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

De inrichting is gelegen in het buitengebied van Brielle. De voor een dergelijke woonomgeving in hoofdstuk 4 van de Handreiking aanbevolen richtwaarden bedragen 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode. Onbestreden is, en ook de Afdeling gaat daarvan uit, dat het referentieniveau ligt op 42 dB(A) in de dagperiode en op 33 dB(A) in de nachtperiode. De opgelegde normen overschrijden deze waarden in de dag- en nachtperiode met respectievelijk 3 en 2 dB(A).

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij de normstelling is uitgegaan van de normen van de onderliggende revisievergunning en daarbij tevens in aanmerking heeft genomen dat er ter vermindering van de geluidbelasting reeds diverse maatregelen worden getroffen, zoals het aanbrengen van een geluidsscherm, het vervaardigen van voorzieningen bij een condensor op de oude bedrijfsloods, het aansluiten van koelmotoren van vrachtwagens op het elektriciteitsnet en het beperken van de vrachtwagenbewegingen in de avond- en nachtperiode. Gelet op het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat de geluidsnormen die in de vergunning van 1999 zijn opgenomen destijds nodig waren en dat deze ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet konden worden verlaagd door het nemen van verdergaande geluidmaatregelen dan die welke thans reeds getroffen moeten worden. De Afdeling heeft hierbij in aanmerking genomen dat de maximale productiecapaciteit ten opzichte van de onderliggende vergunning niet is vergroot.

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in casu toereikend zijn ter bestrijding van geluidhinder vanwege de inrichting.

2.3.3. Wat de grenswaarden voor het piekgeluidniveau betreft, overweegt de Afdeling dat de in voorschrift 6.1.3 neergelegde waarden onder de in de Handreiking aanbevolen grenswaarden liggen, die 70, 65 en 60 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, de avond- en de nachtperiode bedragen. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is.

2.3.4. In voorschrift 6.1.4 wordt één transportbeweging in de nachtperiode uitgesloten van de in de vergunning opgenomen grenswaarden voor het piekgeluidimmissieniveau. De transportbeweging vindt plaats tussen 06.00 en 07.00 uur en veroorzaakt volgens het akoestisch rapport van Oranjewoud, documentnummer 1621-105660, van maart 2002, een piekgeluidimmissieniveau van 63 dB(A) op de woning aan de [locatie sub 2]. Dit is 3 dB(A) hoger dan de in de Handreiking aanbevolen grenswaarde voor de nachtperiode.

Ter zitting is gebleken dat in het gebied waarin de inrichting is gelegen tussen 06.00 en 07.00 uur sprake is van geluidbelasting veroorzakende bedrijvigheid. Voorts is aannemelijk geworden dat de transportbeweging op dit tijdstip noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het slechts een enkele transportbeweging betreft, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorschrift rechtens toelaatbaar is.

2.4. Appellant vreest dat de in de aanvraag aangegeven aanvangstijd van het productieproces niet wordt nageleefd. De Afdeling overweegt dat vergunninghoudster aan deze tijd gebonden is, nu de aanvraag blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van dit besluit. De Afdeling overweegt voorts dat de Algemene wet bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving ervan. Aangezien de beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning kan hij om die reden niet slagen.

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

De Afdeling ziet, gelet op het verhandelde ter zitting, aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voorschrift 2.3.3 van het bestreden besluit zelfvoorziend aan te passen.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Brielle van 7 januari 2003, kenmerk 315194, voor zover het voorschrift 2.3.3 betreft;

III. bepaalt dat voorschrift 2.3.3 als volgt komt te luiden: "Groente- en fruitafval en soortgelijke afvalstoffen moeten dagelijks uit de inrichting worden afgevoerd. Het afvoeren moet zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden." ;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Brielle in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 669,07, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Brielle te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Brielle aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004

255-441.