Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3337

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
10-02-2004
Zaaknummer
200400261/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft bij brief van 9 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van [vergunninghouder] om verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning voor het ontgronden van enkele percelen in de gemeente [plaats].

Bij brief van 9 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400261/2.

Datum uitspraak: 6 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 9 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van [vergunninghouder] om verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning voor het ontgronden van enkele percelen in de gemeente [plaats].

Bij brief van 9 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 januari 2004, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door ing. A.M.L. van Rooij, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. M.L.P.J. van Bommel en ing. C.J.G. Geurts, zijn verschenen.

Voorts is [vergunninghouder] vertegenwoordigd door ing. R. Aartssen daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek is er op gericht bij voorlopige voorziening aan verweerder een termijn te stellen voor het nemen van een reëel besluit.

2.3. De Voorzitter stelt vast dat [vergunninghouder] een onherroepelijke vergunning heeft voor het tot 1 januari 2004 uitvoeren van ontgrondingswerkzaamheden op de percelen, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […], […] en […].

Ingevolge het tweede voorschrift van deze vergunning kan verweerder de geldigheidsduur van de vergunning verlengen indien daartoe ten minste 16 weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur bij verweerder een verzoek is ingediend. Ingevolge het derde voorschrift blijft de ontgrondingsvergunning gelden totdat verweerder een beslissing op het verzoek om verlenging heeft genomen.

2.4. Vast staat dat [vergunninghouder] op 1 juli 2003 een verzoek om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning heeft ingediend bij verweerder. Verweerder heeft bij de voorbereiding van de beslissing op het verzoek de procedure die is geregeld in de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5. van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd. Hij heeft echter nog geen besluit genomen op het verzoek en heeft derhalve niet binnen de in artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde termijn van zes maanden beslist. Aldus is sprake van het niet tijdig nemen van een besluit dat ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld.

In de omstandigheid dat bij het uitblijven van een beslissing op het verzoek de vergunninghouder ingevolge het bepaalde in het derde voorschrift van de vergunning nog steeds van deze vergunning gebruik kan maken, ziet de Voorzitter aanleiding om verzoeker, ondanks dat hij niet de aanvrager is, als belanghebbende bij dit fictieve besluit aan te merken.

2.5. De Voorzitter ziet gelet op het vorenstaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:84, vierde lid in samenhang met artikel 8:72, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht verweerder bij wijze van voorlopige voorziening op te dragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing op het verzoek om verlenging van de geldigheidsduur van de ontgrondingsvergunning te nemen.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij wege van voorlopige voorziening op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op het op 1 juli 2003 door [vergunninghouder] ingediende verzoek om verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning voor het uitvoeren van ontgrondingswerkzaamheden op de percelen, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […], […] en […];

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 770,05, waarvan een bedrag groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord Brabant te worden betaald aan verzoeker;

III. gelast dat de provincie Noord Brabant aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Voskamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2004

370.