Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2004
Datum publicatie
10-02-2004
Zaaknummer
200308841/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2003 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,00 per geconstateerde overtreding van voorschrift B1 van de op 3 december 1991 verleende uitbreidingsvergunning krachtens de Hinderwet voor de inrichting op het perceel Overtoom 65 te Westzaan, kadastraal bekend gemeente Westzaan, sectie D, nummer 1732. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 25.000,00. Aan het besluit is een begunstigingstermijn van 10 dagen verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200308841/1.

Datum uitspraak: 4 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Horecto B.V.", gevestigd te Westzaan,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2003 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,00 per geconstateerde overtreding van voorschrift B1 van de op 3 december 1991 verleende uitbreidingsvergunning krachtens de Hinderwet voor de inrichting op het perceel Overtoom 65 te Westzaan, kadastraal bekend gemeente Westzaan, sectie D, nummer 1732. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 25.000,00. Aan het besluit is een begunstigingstermijn van 10 dagen verbonden.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 24 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 januari 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. C. Martin, advocaat te Amsterdam, M. Verfürden en [gemachtigde], gemachtigden, en J.J. Grouls, deskundige, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.D.G. Guimaraês, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge voorschrift B1 mag het equivalante geluidniveau LAeq veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties of veroorzaakt door werkzaamheden binnen de inrichting niet hoger zijn dan 50 dB(A) gedurende de dagperiode, 45 dB(A) gedurende de avondperiode, alsmede op zon- en algemeen erkende feestdagen gedurende de dagperiode, en 40 dB(A) gedurende de nachtperiode, ter plaatse van de gevel van de woning Veldweg 211 en gemeten op 5 meter hoogte en overigens op enig punt gelegen op een afstand van 50 meter van de inrichting en gemeten op 5 meter hoogte. De metingen en de beoordeling van de geluidniveaus moeten worden uitgevoerd met de methode B van de “Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai”, rapport Il-HR-13-01 (uitgave 1981; hierna: de Handleiding). Alvorens de gemeten of berekende equivalente geluidniveaus van muziekgeluid aan de grenswaarden worden getoetst, moet bij deze niveaus 10 dB(A) worden opgeteld. In afwijking van voornoemde Handleiding mag in het geval van muziekgeluid de bedrijfsduurcorrectie niet worden toegepast. In plaats van methode B mag worden volstaan met één meting of berekening volgens methode A van voornoemde Handleiding indien aan de vereisten onder a en b wordt voldaan.

a. Het geluid afkomstig uit de inrichting, moet op de aangegeven beoordelingsplaatsen duidelijk als muziekgeluid herkenbaar zijn, of het geluidniveau van de muziek moet ten minste 5dB(A) hoger dan het achtergrondniveau L95 zijn.

b. De afstand tussen de inrichting en de beoordelingsplaats moet minder zijn dan 50 meter.

2.2. Verzoekster heeft betoogd dat onduidelijk is wanneer de begunstigingstermijn van 10 dagen is afgelopen.

De Voorzitter kan het betoog van verzoekster niet volgen. In het besluit van 25 november 2003 is bepaald dat een dwangsom wordt verbeurd, indien na 10 dagen na het van kracht worden van het besluit een overtreding van voorschrift B1 wordt geconstateerd. De begunstigingstermijn is derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 3:40 en 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, 10 dagen na verzending van het besluit geëindigd.

2.3. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder het besluit van 25 november 2003 onjuist heeft geadresseerd.

Onbestreden is dat, indien voorschrift B1 is overtreden, de bestuurders van verzoekster gezien hun betrokkenheid bij de exploitatie van de inrichting geacht moet worden overtreder te zijn. Het besluit van 25 november 2003 is gericht aan Lexion, ter attentie van [gemachtigde], [locatie] te [plaats]. Blijkens de door verweerder overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel hanteert verzoekster niet alleen de handelsnaam “Horecto B.V.”, maar ook de handelsnaam “Lexion”. Een van de bestuurders en gevolmachtigd directeur van verzoekster is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf], waarvan [gemachtigde] directeur en enig aandeelhouder is. Als correspondentieadres van verzoekster is vermeld [locatie] te [plaats]. Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat verweerder het besluit van 25 november 2003 onjuist heeft geadresseerd.

2.4. Verzoekster heeft betoogd dat verweerder geen deugdelijke geluidmetingen heeft verricht waaruit kan worden afgeleid dat voorschrift B1 is overtreden.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ligt aan het besluit van 25 november 2003 de geluidmeting van 9 november 2003 ten grondslag. Deze geluidmeting is uitgevoerd overeenkomstig methode A van de Handleiding. Gemeten is op een afstand van ongeveer 30 meter van de inrichting op een hoogte van 5 meter. De geluidmeting voldoet in zoverre aan de vereisten van voorschrift B1. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, doet de Voorzitter verder niet twijfelen aan de deugdelijkheid van de geluidmeting.

Nu uit de geluidmeting van 9 november 2003 blijkt dat de in voorschrift B1 gestelde geluidgrenswaarde voor het equivalente geluidniveau gedurende de nachtperiode met 15 dB(A) is overschreden, was verweerder bevoegd tot het opleggen van de last onder dwangsom.

2.5. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder de last onder dwangsom in redelijkheid niet heeft kunnen opleggen, aangezien omwonenden niet hebben geklaagd over geluidoverlast en verweerder overleg uit de weg is gegaan inzake het actualiseren van de voor de inrichting geldende vergunning. Voorts heeft verzoekster gesteld dat opgelegde last onder dwangsom disproportioneel hoog is.

In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter, mede gelet op het verhandelde ter zitting, geen grond voor het oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opleggen van de last onder dwangsom, of dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.6. Gezien het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2004

154-399.