Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2948

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
03-02-2004
Zaaknummer
200307995/1 en 200307995/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: burgemeester en wethouders) besloten het uitvoeren van een tramdienst in de Sarphatistraat en de Czaar Peterstraat te Amsterdam toe te staan, zoals aangegeven op een bij dat besluit behorende tekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307995/1 en 200307995/2.

Datum uitspraak: 29 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 22 oktober 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: burgemeester en wethouders) besloten het uitvoeren van een tramdienst in de Sarphatistraat en de Czaar Peterstraat te Amsterdam toe te staan, zoals aangegeven op een bij dat besluit behorende tekening.

Bij besluit van 26 april 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 oktober 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 30 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij separate brief van 30 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht. Voorts heeft zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2004, waar appellante, in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. Fidom, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft zich in de procedure vooral gericht tegen de aan het verkeersbesluit ten grondslag liggende besluiten van de raad van de gemeente Amsterdam van 14 juli 1999 en 4 juli 2001 (tracé- onderscheidenlijk profielbesluit). Tegen deze besluiten staan geen rechtsmiddelen open. Dat betekent niet dat die besluiten daarom ter toets staan bij het beoordelen van het op die besluiten gebaseerde verkeersbesluit, zoals appellante kennelijk beoogt te betogen.

2.2. Burgemeester en wethouders komt bij het nemen van een verkeersbesluit, als waar het hier om gaat, ruime beoordelingsvrijheid toe. Het was aan hen om alle bij het nemen van het besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. Zij zijn over die afweging verantwoording verschuldigd aan de raad. De rechter dient de uitkomst van die afweging te respecteren, tenzij sprake is van zodanige onevenwichtigheid dat geoordeeld moet worden dat burgemeester en wethouders daartoe in redelijkheid niet hebben kunnen komen.

2.3. Voor dat oordeel is geen grond. Met name heeft appellante niet met enig deskundigenbericht aannemelijk gemaakt dat, zoals zij stelt, sprake zal zijn van een - tegen het licht van het Amsterdamse stadsverkeer bezien – onaanvaardbaar onveilige situatie.

2.4. Voorzover appellante heeft betoogd dat de uitvoering van het verkeersbesluit niet overeenkomt met het in het besluit bepaalde, wordt overwogen dat de uitvoering van dit of enig ander besluit thans niet ter toets staat.

2.5. Nader onderzoek kan redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en overigens bestaat evenmin beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. de Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2004

383.