Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2004
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
200304432/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2002 heeft appellant (hierna: het college) aan C.S. Rinia met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen/vergroten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304432/1.

Datum uitspraak: 4 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 21 mei 2003 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te respectievelijk [woonplaatsen]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2002 heeft appellant (hierna: het college) aan C.S. Rinia met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen/vergroten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 juni 2002 heeft het college het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 mei 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 12 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 30 september 2003, hebben [wederpartijen] een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2004, waar het college, vertegenwoordigd door P.D. Van der Ploeg, ambtenaar der gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Met het college is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste bestemming voor het perceel. Anders dan de rechtbank heeft vastgesteld rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel, herziening 1984” op het perceel niet de bestemming “Agrarisch gebied C”, maar de bestemming “Eengezinshuizen”.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan is aan te merken als een door het college van gedeputeerde staten van Friesland (hierna: gedeputeerde staten) aangegeven geval als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, waarvoor zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling kon worden verleend.

2.2.1. Dit betoog slaagt. Blijkens de stukken hebben gedeputeerde staten bepaald dat er toepassing mag worden gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO voor projecten vooruitlopend op een ontwerp-bestemmingsplan waarmee de Commissie van Overleg heeft ingestemd en voor de gevallen die zijn vermeld op een door gedeputeerde staten aangewezen lijst (hierna: de vrijstellingslijst). Voor de gevallen die zijn vermeld op de vrijstellingslijst is een verklaring van geen bezwaar nimmer vereist.

Blijkens het onderdeel “Landelijk gebied” van de vrijstellingslijst komt voor vrijstelling in aanmerking een uitbreiding van een bestaande, als zodanig bestemde woning, mits de uitbreiding plaatsvindt op de voor woondoeleinden bestemde gronden die aansluiten bij de woningen en de oppervlakte van die woning na uitbreiding niet meer bedraagt dan 150 m2 (exclusief uitbreiding 25 m2 volgens wettelijke kruimelregeling). Niet in geschil is dat het bouwplan voldoet aan deze voor vrijstelling gestelde eisen.

Uit het voorgaande volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van geval als opgenomen op de vrijstellingslijst, waarvoor zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling kon worden verleend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartijen] zelf verder afdoen.

2.4. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ten tijde van de beslissing op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel, herziening 1984” omdat het buiten het bebouwingsvlak is gesitueerd. Ten einde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend, waarbij het heeft overwogen dat het bouwplan in overeenstemming is met het voor het gebied waarin het perceel is gelegen opgestelde ontwerp van het bestemmingsplan “Buitengebied 2001” (hierna: het bestemmingsplan). Het bestemmingsplan is bij besluit van 5 september 2002 vastgesteld door de gemeenteraad van Franekeradeel. Bij besluit van 18 februari 2003 hebben gedeputeerde staten beslist omtrent de goedkeuring van dat plan en goedkeuring gehecht aan het daarin op het perceel opgenomen bouwvlak. Bij uitspraak van 24 december 2003 is het beroep tegen dit besluit van 18 februari 2003, niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Gelet hierop is het bestemmingsplan reeds onherroepelijk van kracht.

Dit brengt mee dat geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde belangenafweging en dat slechts ter beoordeling staat of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan met het bestemmingsplan in overeenstemming is. Indien het bouwplan niet met het bestemmingsplan in strijd is zou thans voor het bouwplan immers, zonder dat vrijstelling is vereist, ingevolge artikel 44 van de Woningwet bouwvergunning moeten worden verleend.

Gesteld noch gebleken is dat het bouwplan – naar ook ter zitting is vastgesteld – in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4.1. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [wederpartijen] ongegrond is.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 21 mei 2003, reg.nr. 02/633 WW44;

III. verklaart het door [wederpartijen] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2004

292.