Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2004
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
200300690/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2002, I/LG/02/2724, heeft verweerder een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een tankstation en autoherstelbedrijf aan de [locatie] te Sassenheim, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer
Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2004/4110
JM 2004/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300690/2.

Datum uitspraak: 4 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te Sassenheim,

2. [appellant sub 2], wonend te Sassenheim,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sassenheim,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2002, I/LG/02/2724, heeft verweerder een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een tankstation en autoherstelbedrijf aan de [locatie] te Sassenheim, afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2003, kenmerk 02/3203, verzonden op 7 maart 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 17 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2003, en appellant sub 2 bij brief van 17 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2003, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 16 mei 2003.

Bij brief van 18 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2003, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [een van de appellanten sub 1], appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. J.C.W. de Sauvage Nolting, advocaat te Haarlem, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.J.M. Rietveld en ir. D. Eussen, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. Volgens appellanten sub 1 en 2 heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat in het onderhavige geval geen sprake is van een overtreding en dat er aldus geen bevoegdheid bestaat om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen.

Appellant sub 2 betoogt in dit verband dat verweerder het tankstation ten onrechte als een tankstation voor het wegverkeer type B in de zin van het Besluit tankstations milieubeheer (hierna: Besluit tankstations) heeft aangemerkt. Volgens hem is het onderhavige tankstation een tankstation voor het wegverkeer type A als bedoeld in het Besluit tankstations. Hij stelt dat voor dit tankstation een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist. Verweerder heeft voor veranderingen van dit tankstation dan ook ten onrechte een melding op grond van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: Besluit motorvoertuigen) geaccepteerd, aldus appellant sub 2.

Indien veranderingen van het tankstation wel op grond van het Besluit motorvoertuigen moeten worden gemeld, dan betogen appellanten sub 1 en sub 2 dat deze veranderingen ten onrechte door [partij sub 1] zijn gemeld. Naar zij stellen wordt het tankstation vanaf november 2002 niet meer door [partij sub 1], maar door [partij sub 2] geëxploiteerd. Huns inziens moet [partij sub 2] als drijver van het tankstation worden aangemerkt. Aan de door [partij sub 1] gedane melding komt naar zij stellen dan ook geen betekenis toe.

2.2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het tankstation en het autoherstelbedrijf één inrichting in de zin van artikel 1, vierde lid, van de Wet milieubeheer vormen. Zijns inziens valt de inrichting onder het

Besluit motorvoertuigen. [partij sub 1] moet volgens hem als drijver van de inrichting worden aangemerkt. Hij overweegt dat [partij sub 1] de veranderingen van de inrichting op 16 augustus 2002 bij hem heeft gemeld op grond van het Besluit motorvoertuigen. Hij concludeert dan ook dat in het onderhavige geval geen sprake is van een overtreding, zodat er ook geen bevoegdheid bestaat om bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het inrichting toe te passen.

Hij stelt verder nog dat het tankstation als een tankstation voor het wegverkeer type B in de zin van het Besluit tankstations moet worden aangemerkt en dat op dit tankstation ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit motorvoertuigen, bijlage I van het Besluit tankstations van toepassing is.

2.2.2. Op het perceel aan de [locatie] te Sassenheim bevinden zich een autoherstelbedrijf en een tankstation. Eind 2002 is het tankstation veranderd. De veranderingen betreffen onder meer een uitbreiding van het aantal afleverzuilen, een uitbreiding van de capaciteit van de opslagtanks en de plaatsing van betaalautomaten.

Teneinde te beoordelen of deze veranderingen van het tankstation terecht op grond van het Besluit motorvoertuigen zijn gemeld, beoordeelt de Afdeling allereerst of het tankstation en het autoherstelbedrijf, voordat de veranderingen in het tankstation hebben plaatsgevonden, als één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer moesten worden beschouwd.

In de tweede volzin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat als één inrichting worden beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

De Afdeling stelt op grond van de stukken, waaronder de situatietekening van 23 oktober 2002, nummer 02104005/mx, vast dat het tankstation en het autoherstelbedrijf in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Het is de Afdeling, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, verder gebleken dat voordat de eerdergenoemde veranderingen in het tankstation werden doorgevoerd, de klanten van het tankstation bij de exploitant van het autoherstelbedrijf, [partij sub 1], afrekenden. Voorts hield

[partij sub 1] toezicht op het tankstation. De klanten van het tankstation konden zich indien nodig met vragen tot hem wenden. Ook had hij het in zijn macht om in te grijpen in het geval zich calamiteiten of onregelmatigheden bij het tankstation voordeden. Verder is gebleken dat verschillende bedrijfsmiddelen van het tankstation in de opslagruimte bij het autoherstelbedrijf werden opgeslagen en dat diverse onderhouds- en reinigingsmiddelen gemeenschappelijk werden gebruikt. Ter zitting is voorts gebleken dat het tankstation en het autoherstelbedrijf van een gemeenschappelijke olie- en waterafscheider gebruik maakten. De Afdeling komt gelet op het vorenstaande tot het oordeel dat er tussen het tankstation en het autoherstelbedrijf voldoende technische, organisatorische en functionele bindingen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer aanwezig waren. Gezien het vorenoverwogene moet dan ook worden geoordeeld dat het tankstation en het autoherstelbedrijf, voordat de veranderingen in het tankstation werden doorgevoerd, als één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer moeten worden beschouwd.

2.2.3. In artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten:

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

In artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat het verbod niet geldt met betrekking tot inrichtingen, behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, is aangewezen, behoudens in gevallen waarin, krachtens de tweede volzin van dat lid, de bij de maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting.

In artikel 2, eerste lid, van het Besluit motorvoertuigen is, voorzover hier relevant, bepaald dat dit besluit van toepassing is op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor het onderhouden, repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren, reinigen van carrosserie en bekleding, verhandelen, verhuren, stallen of proefdraaien van motorvoertuigen, caravans, landbouwwerktuigen, aanhangwagens of opleggers.

2.2.4. De Afdeling overweegt dat voor beantwoording van de vraag of op deze inrichting het Besluit motorvoertuigen van toepassing is, de activiteiten die op het terrein van de inrichting worden verricht in hun totaliteit dienen te worden bezien. Niet alle activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd, betreffen activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit motorvoertuigen. De activiteiten die in het autoherstelbedrijf worden uitgevoerd behoren daartoe wel, maar de activiteiten die in het tankstation worden uitgevoerd kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de onderhavige inrichting niet uitsluitend bestemd is voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit motorvoertuigen. Voor beantwoording van de vraag of de inrichting in hoofdzaak bestemd is voor deze activiteiten, kan een aanwijzing zijn of de activiteiten in het tankstation, als nevenactiviteiten, een zodanige omvang hebben dat deze, als afzonderlijke activiteit beschouwd, zouden hebben te gelden als inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de activiteiten in het tankstation een zodanige omvang dat deze, als afzonderlijke activiteit beschouwd, hebben te gelden als inrichting in de zin van de vorengenoemde artikelleden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat de inrichting in hoofdzaak is bestemd voor de activiteiten als bedoeld in het eerdergenoemde artikel 2, eerste lid, van het Besluit motorvoertuigen.

De Afdeling komt gezien het vorenstaande tot het oordeel dat het Besluit motorvoertuigen niet van toepassing is op de onderhavige inrichting. Aan de eerdergenoemde melding van 16 augustus 2002 van de veranderingen van het tankstation op grond van dit besluit komt dan ook geen betekenis toe. Verweerder heeft het vorenstaande miskend en heeft zich dan ook op onjuiste gronden niet bevoegd geacht bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen. Reeds daarom is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat een beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.3. De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. De beroepen behoeven voor het overige geen bespreking meer.

2.4. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten van appellant sub 2 te worden veroordeeld. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellanten sub 1 bestaat geen aanleiding nu niet is gebleken van daarvoor in aanmerking komende kosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sassenheim van 6 maart 2003, kenmerk 02/3203;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Sassenheim op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sassenheim in de door appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Sassenheim te worden betaald aan appellant sub 2;

V. gelast dat de gemeente Sassenheim aan appellanten sub 1en sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht

(€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2004

163-404.