Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2838

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2004
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
200300473/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 25 maart 1999 heeft de korpsbeheerder van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond (hierna: de korpsbeheerder) aan appellant bericht dat zijn verzoek om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) afschriften te verstrekken van alle documenten die omtrent zijn persoon zijn opgemaakt in het kader van het strafvorderlijk onderzoek dan wel het gerechtelijk vooronderzoek, geregistreerd onder no. […], ter afdoening is doorgezonden aan de Minister van Justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300473/1.

Datum uitspraak: 4 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 22 oktober 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de korpsbeheerder van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond.

1. Procesverloop

Bij brief van 25 maart 1999 heeft de korpsbeheerder van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond (hierna: de korpsbeheerder) aan appellant bericht dat zijn verzoek om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) afschriften te verstrekken van alle documenten die omtrent zijn persoon zijn opgemaakt in het kader van het strafvorderlijk onderzoek dan wel het gerechtelijk vooronderzoek, geregistreerd onder no. […], ter afdoening is doorgezonden aan de Minister van Justitie.

Appellant heeft dit bericht aangemerkt als een fictieve weigering te beslissen op zijn verzoek en heeft hiertegen bij brief van 28 april 1999 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 30 november 1999 heeft appellant beroep ingesteld tegen de fictieve weigering om op het bezwaar te beslissen.

Bij uitspraak van 14 januari 2000 heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het beroep dat is ingesteld tegen het niet dan wel niet tijdig door de korpsbeheerder nemen van een beslissing op bezwaar, gegrond verklaard en de korpsbeheerder opgedragen alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

Bij besluit van 10 februari 2000 heeft de korpsbeheerder het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 oktober 2002, verzonden op 31 oktober 2002, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2003 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij brief van 20 augustus 2003 heeft de korpsbeheerder van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. Tj.E. van der Spoel, advocaat te Rotterdam, en de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WOB kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WOB wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de WOB verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de WOB - voor zover hier van belang - blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Ter beoordeling staat het oordeel van de rechtbank dat de korpsbeheerder openbaarmaking van de gevraagde informatie achterwege heeft kunnen laten op de grond dat de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de WOB te beschermen belangen prevaleren boven het algemene belang dat wordt gediend bij openbaarmaking van de stukken. Voorts staat ter beoordeling de vraag of terecht is geoordeeld dat anonimisering en opschoning van de stukken geen mogelijkheid bieden om (een deel van) de stukken openbaar te maken.

2.3. Vooropgesteld wordt dat het recht op openbaarmaking ingevolge de WOB uitsluitend het algemene belang van een goede en democratische bestuursvoering dient, welk belang de WOB vooronderstelt. Derhalve kan ten aanzien van openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang van de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden betrokken het algemene belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de relatieve weigeringsgronden waarop de korpsbeheerder zich beroept. Aan het persoonlijke belang van appellant, inhoudende dat hij wil achterhalen hoe groot de inbreuk op zijn privacy is geweest, kan bij voornoemde belangenafweging geen gewicht toekomen.

2.4. De stukken waarvan appellant de openbaarmaking verzoekt, behelzen een inmiddels beëindigd, uitvoerig en langlopend strafrechtelijk onderzoek naar de grootschalige invoer van en handel in verdovende middelen.

De Afdeling stelt vast dat deze stukken inzicht geven in de gehanteerde opsporingsstrategieën en -methoden en dat, nu in het strafrechtelijk onderzoek derden informatie hebben verschaft, het voorkomen van onevenredige benadeling van deze derden aan de orde is. Verder stelt de Afdeling vast dat deze stukken informatie bevatten over vele andere potentiële verdachten, zodat voorts de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aan de orde is. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat de korpsbeheerder zich heeft kunnen beroepen op de in de WOB opgenomen belangen die zijn gediend met de opsporing en vervolging van strafbare feiten, met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Nu de stukken inzicht geven in de gehanteerde opsporingsstrategieën en –methoden heeft de korpsbeheerder, gelet op het belang van het voorkomen van bekend worden van opsporingsmethodieken, in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan aan het belang van openbaarmaking van de stukken. De Afdeling betrekt bij dit oordeel dat mede door het onderzoeksrapport van de Parlementaire Enquêtecommissie opsporingsmethoden reeds veel bekend is geworden over de wijze waarop in de eerste helft van de jaren negentig strafrechtelijk onderzoek is gedaan naar deze materie, welk onderzoek zich, zoals algemeen bekend is geworden, niet heeft beperkt tot appellant. Gelet op het voorgaande heeft de korpsbeheerder het verzoek in redelijkheid kunnen weigeren. De rechtbank is tot ditzelfde oordeel gekomen.

De rechtbank is voorts met juistheid tot het oordeel gekomen dat de korpsbeheerder bij afweging van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer tegenover het belang van openbaarmaking

in redelijkheid heeft kunnen weigeren de stukken openbaar te maken. Gelet op de omstandigheid dat naast appellant vele andere potentiële verdachten onderwerp van onderzoek zijn geweest, heeft de korpsbeheerder zich er op kunnen beroepen dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze personen zich tegen openbaarmaking verzet. De omstandigheid dat aan appellant reeds de kring van verdachten bekend zou zijn doordat aan hem het dossier inzake het gerechtelijk vooronderzoek no. […] is overhandigd, doet aan het vorenstaande niet af, nu deze omstandigheid, wat daarvan verder ook zij, geen rol kan spelen bij de ter beoordeling voorliggende vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder in redelijkheid zijn besluit heeft kunnen handhaven dat de gevraagde informatie niet aan een ieder openbaar wordt gemaakt.

Verder is de rechtbank met juistheid tot het oordeel gekomen dat de korpsbeheerder bij afweging van het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van derden tegenover het belang van openbaarmaking in redelijkheid op grond van eerstgenoemd belang van openbaarmaking van de stukken heeft kunnen afzien. Voorkomen dient immers te worden dat door openbaarmaking van de stukken - al dan niet in combinatie met andere informatie of kennis waarover reeds wordt beschikt - de identiteit van bedoelde derden bekend wordt, waardoor hun veiligheid gevaar zou kunnen lopen en bovendien verder strafrechtelijk onderzoek zou kunnen worden belemmerd.

Eveneens met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de door appellant voorgestane anonimisering, al dan niet gecombineerd met opschoning van de gevraagde stukken, onvoldoende mogelijkheden biedt om aan appellant tegemoet te komen. Zo anonimisering en opschoning, gelet op de aard en inhoud van de stukken, al mogelijk is, zullen ook dan de stukken inzage geven in gehanteerde opsporingstrategieën en -tactieken.

2.5. De door appellant aangehaalde WOB-circulaire "Informatieverstrekking door politie en Openbaar Ministerie" van 27 mei 1992 van de Minister van Justitie dient buiten beschouwing te worden gelaten. Daar de circulaire op 27 mei 1996 haar geldigheid heeft verloren, kan deze in de onderhavige procedure, die eerst na laatstgenoemde datum is geïnitieerd, geen rol spelen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Broodman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2004

204-450.