Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2452

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2004
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
200307979/1 en 13 andere nummers
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 24 september 2003, kenmerken 03/2170/HZ/MvdS, 03/2149/hz/ae, 03/2147/hz/ae, 03/2153/HZ/MvdS, 03/2159/hz/MdH, 03/2150/HZ/MvdS, 03/2158/HZ/MdH, 03/2151/HZ/MdH, 03/2152/HZ/MdH, 03/2169/HZ/MvdS, 03/2168/hz/ae, 03/2157/HZ/MvdS, 03/2156/HZ/MdvS en 03/2148/HZ/MvdS, heeft verweerder aan verzoeksters vergunningen onder voorwaarden op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet verleend voor het uitzaaien van oesters en mosselen afkomstig uit diverse productiegebieden in Ierland en Engeland in het staatsnatuurmonument Oosterschelde-buitendijks alsmede voor het opvissen van de uitgezaaide schelpdieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307979/1, 200308193/1, 200308199/1, 200308207/1, 200308210/1, 200308211/1, 200308212/1, 200308214/1, 200308215/1, 200308217/1, 200308219/1, 200308706/1, 200308715/1 en 200308717/1.

Datum uitspraak: 19 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in de gedingen tussen onder meer:

1. [verzoekster sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [verzoekster sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [verzoekster sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [verzoekster sub 4], gevestigd te [plaats],

5. [verzoekster sub 5], gevestigd te [plaats],

6. [verzoekster sub 6], gevestigd te [plaats],

7. [verzoekster sub 7], gevestigd te [plaats],

8. [verzoekster sub 8], gevestigd te [plaats],

9. [verzoekster sub 9], gevestigd te [plaats],

10. [verzoekster sub 10], gevestigd te [plaats],

11. [verzoekster sub 11], gevestigd te [plaats],

12. [verzoekster sub 12], gevestigd te [plaats],

13. [verzoekster sub 13], gevestigd te [plaats],

14. [verzoekster sub 14], gevestigd te [plaats],

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 24 september 2003, kenmerken 03/2170/HZ/MvdS, 03/2149/hz/ae, 03/2147/hz/ae, 03/2153/HZ/MvdS, 03/2159/hz/MdH, 03/2150/HZ/MvdS, 03/2158/HZ/MdH, 03/2151/HZ/MdH, 03/2152/HZ/MdH, 03/2169/HZ/MvdS, 03/2168/hz/ae, 03/2157/HZ/MvdS, 03/2156/HZ/MdvS en 03/2148/HZ/MvdS, heeft verweerder aan verzoeksters vergunningen onder voorwaarden op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet verleend voor het uitzaaien van oesters en mosselen afkomstig uit diverse productiegebieden in Ierland en Engeland in het staatsnatuurmonument Oosterschelde-buitendijks alsmede voor het opvissen van de uitgezaaide schelpdieren.

Verzoeksters sub 1 tot en met 4 en verzoeksters sub 6 tot en met 11 hebben bezwaar gemaakt tegen de aan hen verleende vergunning. De Stichting Faunabescherming heeft tegen alle afzonderlijke besluiten bezwaar ingediend.

Bij brief van 28 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2003, hebben verzoeksters sub 1 tot en met 11 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 19 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op

22 december 2003, hebben verzoeksters sub 12 tot en met 14 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 9 januari 2004, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door mr. M. van der Bent, advocaat te Middelburg en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

Voorts is de Stichting Faunabescherming, vertegenwoordigd door H. Baptist en A. de Jong, gemachtigden, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet, voor zover hier van belang, wordt de werking van een besluit tot verlening van een vergunning voor het verrichten van handelingen in een staatsnatuurmonument opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Zoals de Voorzitter in onder meer zijn uitspraak van 16 april 2002, no. 200201913/1, heeft overwogen is de opschortende werking van artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet eveneens op de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift en op het indienen van een bezwaarschrift van toepassing.

2.2. Verzoeksters hebben onbestreden gesteld dat verweerder bij brief van 7 januari 2004 verzoeksters heeft geïnformeerd dat de beslissingen op bezwaar zijn verdaagd en dat wordt gestreefd naar een afhandeling van de bezwaren binnen een termijn van zes maanden. Gelet op het belang van verzoeksters om vóór 1 maart 2004 de oesters en mosselen uit te zaaien in het staatsnatuurmonument Oosterschelde-buitendijks, verzoeken zij de Voorzitter de opschortende werking van de door hen en door de Stichting Faunabescherming ingediende bezwaarschriften op te heffen. Verder vragen verzoeksters het aan de vergunningen verbonden voorschrift op pagina 9 onder 1 buiten toepassing te verklaren. Dit voorschrift houdt in dat het uitzaaien van oesters en mosselen uit de diverse productiegebieden in Ierland en Engeland alleen is toegestaan indien deze schelpdieren aantoonbaar een jaar hebben doorgebracht in de desbetreffende productiegebieden.

2.3. Verzoeksters stellen zich kort samengevat op het standpunt dat het uitzaaien van oesters en mosselen uit Ierland en de oostkust van Engeland in de Oosterschelde niet schadelijk is voor de natuur in dit gebied.

De Stichting Faunabescherming is kort gezegd van mening dat het uitzaaien van deze gebiedsvreemde schelpdieren grote schade kan veroorzaken aan inheemse organismen in de Oosterschelde. Voorts is deze stichting van mening dat ten onrechte toetsing aan de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna de Habitatrichtlijn) achterwege is gebleven.

2.4. Naar aanleiding van het aangevoerde van de Stichting Faunabescherming, dat in het bestreden besluit ten onrechte is nagelaten aan te geven welke oestersoorten mogen worden uitgezaaid, hebben verzoeksters ter zitting betoogd dat het uitzaaien van oesters in het kader van de verzoeken om voorlopige voorziening buiten beschouwing kan blijven.

De Voorzitter zal zich derhalve in het kader van deze procedure beperken tot het uitzaaien van mosselen en het opvissen van de uitgezaaide mosselen.

2.5. Het beleid van verweerder voor het uitzetten van schelpdieren in de Oosterschelde, neergelegd in het “Beleidsplan Oosterschelde 1995” is er onder meer op gericht het introduceren van exoten zoveel mogelijk te voorkomen. Verweerder maakt daarom onderscheid tussen gebieden met dezelfde ecologische eigenschappen als de Nederlandse kustwateren, de zogenoemde boreale gebieden, en gebieden met ecologische eigenschappen die hiervan verschillen, de zogenoemde buiten-boreale gebieden. Het verplaatsen van schelpdieren uit deze laatste gebieden naar de Oosterschelde is op grond van het beleid van verweerder niet toegestaan. Het verlenen van vergunningen voor het uitzetten van schelpdieren uit boreale gebieden in de Oosterschelde daarentegen, acht verweerder in beginsel aanvaardbaar. De Voorzitter heeft geen aanwijzingen dat dit beleid is gebaseerd op onjuistheden of kennelijk onredelijk zou zijn.

In het bestreden besluit overweegt verweerder dat uit onderzoek van het Expertisecentrum LNV is gebleken dat de desbetreffende gebieden in Ierland en Engeland kunnen worden aangemerkt als gebieden die dezelfde ecologische eigenschappen hebben als de Oosterschelde. Verweerder is daarom van mening dat de ecologische structuur en soortensamenstelling van deze productiegebieden zodanig overeenkomen dat niet behoeft te worden gevreesd voor risico’s voor de natuurwaarden van de Oosterschelde.

De Voorzitter ziet op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding voor een ander oordeel. In hetgeen van de zijde van de Stichting Faunabescherming is aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de vergunde activiteit significante effecten zal hebben op het als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; de Vogelrichtlijn) aangewezen gebied de Oosterschelde.

Gelet hierop en in aanmerking genomen de betrokken belangen van verzoeksters, is de Voorzitter van oordeel dat de schorsende werking van de bezwaarschriften kan worden opgeheven, voor zover het betreft het uitzaaien van mosselen en het opvissen van de uitgezaaide mosselen in het staatsnatuurmonument Oosterschelde-buitendijks.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat hij in het bestreden besluit ten onrechte heeft vermeld dat de Habitatrichtlijn voor de Oosterschelde nog niet van kracht zou zijn. De Voorzitter is echter niet gebleken dat dit zou moeten leiden tot een inhoudelijk ander besluit. In verband hiermede ziet de Voorzitter dan ook hierin geen reden voor afwijzing van het verzoek.

2.6. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter de verzoeken in zoverre toe.

2.7. Wat betreft de voorwaarde in de vergunningen onder 1. van de bestreden besluiten ziet de Voorzitter geen reden de verzoeken in te willigen. Niet gebleken is van een spoedeisend belang op grond waarvan zijn voorlopig oordeel over deze voorwaarde niet kan worden gemist.

2.8. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Voorzitter ziet aanleiding om voor de toepassing van artikel 2, eerste lid en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht de zaken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van genoemd besluit aan te merken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat de opschortende werking van de bezwaarschriften tegen genoemde besluiten van verweerder van 24 september 2003, voor zover het betreft het uitzaaien van mosselen en het opvissen van de uitgezaaide mosselen, wordt opgeheven;

II. wijst de verzoeken voor het overige af;

III. veroordeelt verweerder in de door verzoekers in verband met de behandeling van de verzoeken gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) te worden betaald aan verzoeksters;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan verzoeksters ieder afzonderlijk het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt (totaal € 3.248,00).

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Steinebach

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2004

328.