Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2423

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
200303902/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor vier lichtmasten op het perceel aan de

[locatie] te Helmond (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303902/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging “HUAC Pétanque-Club”, gevestigd te Helmond,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 6 mei 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor vier lichtmasten op het perceel aan de

[locatie] te Helmond (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 februari 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 mei 2003, verzonden op 8 mei 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 17 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.W. de Rijk, advocaat te Helmond, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Boelens-Horn, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van vier lichtmasten met elk een hoogte van vier meter.

2.2. De Afdeling stelt vast dat op het perceel de bestemming “Woongebied III’ met de aanduiding “R” rust. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Aarle-Rixtelseweg en omgeving” het perceel formeel de bestemming “sportterrein/sportpark” heeft, en niet de bestemming “Woongebied”, faalt derhalve.

2.3. Gronden met de aanduiding “R” zijn ingevolge artikel 4.1. van de planvoorschriften bestemd voor aktieve recreatie, een en ander met inbegrip van alle bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 4.3, onder A, vijfde gedachtenstreepje, van de planvoorschriften mogen op de voor “Woongebied” aangewezen gronden slechts gebouwen worden opgericht of verbouwd met handhaving van de bestaande funktie overeenkomstig de regel dat op de met R aangeduide percelen openluchtrecreatie c.q. handhaving van het bestaande tennispark is toegestaan, met dien verstande dat de bestaande bebouwing met ten hoogste 10% mag worden uitgebreid.

Ingevolge artikel 4.3, onder B, eerste lid, van de planvoorschriften mogen op het perceel bouwwerken geen gebouw zijnde worden opgericht, met dien verstande dat de maximale bouwhoogte 2 meter is, vlaggemasten en dergelijke uitgezonderd.

2.4. Uit deze bepalingen in onderling verband en samenhang beschouwd, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat andere bouwwerken met een bouwhoogte van meer dan 2 meter niet zijn toegestaan, behoudens vlaggemasten en dergelijke. Daargelaten de vraag wat onder de toevoeging “en dergelijke” moet worden verstaan, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat daaronder niet de onderhavige lichtmasten kunnen worden begrepen.

Daarmee staat vast dat de bouw van de lichtmasten in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet hierop behoeft hetgeen appellante in dit verband anderszins heeft aangevoerd, geen bespreking meer.

2.5. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, faalt evenzeer. Gelet op de korte afstand van de pétanquebanen ten opzichte van de achtertuinen van een aantal woningen en in aanmerking genomen het relatief grote aantal op deze banen aanwezige personen en de daarmee gepaard gaande aanzienlijke geluidsbelasting, kan niet staande worden gehouden dat het college aan de belangen van omwonenden bij rust in de avonduren – zoals deze zijn verwoord in de aan de beslissing op bezwaar ten grondslag liggende brieven van de omwonenden van 8 en 19 oktober 2000 - niet in redelijkheid een groter gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van appellante om haar sportactiviteiten uit te breiden tot in de avonduren. De omstandigheden dat twee omwonenden daar eerst zijn komen wonen toen het tennispark, waar de pétanquebanen deel van uitmaken, reeds was aangelegd en geen van die omwonenden zich in de procedure als belanghebbende heeft aangemeld, leidt niet tot een ander oordeel.

Dit geldt ook voor de stelling dat het college bij het nemen van de beslissing op bezwaar ten onrechte geen acht heeft geslagen op het Besluit Horeca-, Sport- en Recreatieinrichtingen milieubeheer. Dit Besluit bevat – voor zover hier van belang – voorschriften die in acht dienen te worden genomen bij het gebruik van lichtmasten en kan dan ook geen rol spelen in het kader van de beantwoording van de vraag of daarvoor een bouwvergunning dient te worden verleend.

2.6. De rechtbank heeft voorts het beroep op het gelijkheidsbeginsel terecht verworpen, omdat is gebleken dat in de door appellante genoemde gevallen van de sportverenigingen in de wijken Dierdonk en Brandevoort en de pétanqueclub te Stiphout, die wel over lichtmasten beschikken, andere planologische regimes gelden, en deze derhalve niet op één lijn zijn te stellen met het onderhavige geval.

2.7. Tenslotte heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellante aan de brief van het college van 15 mei 2000 niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat voor de onderhavige lichtmasten met een hoogte van vier meter bouwvergunning zal worden verleend. In deze brief heeft het college immers slechts een subsidie beschikbaar gesteld als bijdrage in de kosten van verlichting, belijning, banken en bielzen. De niet nader toegelichte term “verlichting” heeft in dit geval een algemene betekenis zoals het aanbrengen van lichtpunten op het perceel. Daaraan kan geen toezegging tot het oprichten van specifieke bouwwerken, zoals vier meter hoge lichtmasten, worden ontleend.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn- van Bilderbeek w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004

53-429.