Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
200304845/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Eibergen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 oktober 2002, het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening XIV ([locatie])” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304845/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Eibergen,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Eibergen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 oktober 2002, het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening XIV ([locatie])” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 mei 2003, nr. RE2002.110211, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij afzonderlijke brieven van 22 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. H.P.G. Jansen, gemachtigde, [vennoot A] en [vennoot C], vennoten, appellant sub 2, vertegenwoordigd door J.P.M. Franck, ambtenaar van de gemeente Eibergen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.J.P.T. van Hemmen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Eibergen, eveneens vertegenwoordigd door J.P.M. Franck, ambtenaar van de gemeente.

[belanghebbenden A] en [belanghebbenden B] zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in de verplaatsing van het agrarische loon- en grondverzetbedrijf van appellante sub 1 (hierna: het bedrijf) vanuit de kern Rekken naar het perceel [locatie]. De planvoorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied” zijn op het plan van overeenkomstige toepassing verklaard (hierna: de planvoorschriften). Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan artikel 16, derde lid, onder 2, sub a, van de planvoorschriften. Hierin is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in lid 2 voor de bouw van een tweede bedrijfswoning, indien dit om bedrijfsmatige redenen noodzakelijk is en uitsluitend in de bestemmingscategorie I, met inachtneming van het gestelde ten aanzien van de eerste bedrijfswoning. Voor het overige heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de in overweging 2.2. genoemde bepaling. Appellante sub 1 is onder meer van mening dat een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is vanwege bedrijfstechnische redenen en dat de gemeente Eibergen zich contractueel heeft gebonden om de bouw van een tweede bedrijfswoning mogelijk te maken.

Appellant sub 2 heeft onder meer aangevoerd dat de vrijstellingsbepaling voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning destijds in het bestemmingsplan “Buitengebied” is opgenomen om adequaat in te kunnen spelen op bedrijfskundige ontwikkelingen, die tot de bouw van een tweede bedrijfswoning nopen, welke bepaling toen door verweerder integraal is goedgekeurd. Voor appellant sub 2 was dan ook niet te voorspellen dat aan dezelfde bepaling thans goedkeuring zou worden onthouden en is aldus niet meer duidelijk wat nu de provinciale planologische visie is op dit punt. Hij doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.4. De gemeenteraad heeft het perceel [locatie] bestemd als “Bedrijfsbebouwing” met categorie “bestemmingscategorie I”.

2.5. Verweerder heeft zich bij zijn besluit op het standpunt gesteld dat artikel 16, derde lid, onder 2, sub a, van de planvoorschriften in strijd is met het Streekplan Gelderland 1996.

2.6. De Afdeling merkt allereerst op dat de beoordeling van de overeenkomst tussen appellante sub 1 en de gemeente Eibergen niet tot de omvang van dit geding behoort.

Voorzover appellante sub 1 heeft aangevoerd dat zij op toezeggingen van de gemeente Eibergen, die in de overeenkomst zouden zijn vastgelegd, heeft vertrouwd, overweegt de Afdeling als volgt.

Verweerder is, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, niet gebonden aan een gestelde toezegging van gemeentewege in het kader van de totstandkoming van dat plan. Een ander oordeel zou immers betekenen dat de beoordelingsruimte van verweerder door toedoen van het bestuursorgaan dat het goed te keuren besluit heeft genomen, te zeer wordt ingeperkt. Niet gebleken is van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerder hierop een uitzondering had moeten maken.

2.7. De Afdeling stelt vervolgens vast dat appellant sub 2 bij het volgen van de vrijstellingsprocedure van artikel 16, derde lid, onder 2, sub a, van de planvoorschriften onder meer dient te onderzoeken of de aard en de functie van de werkzaamheden van het bedrijf een tweede bedrijfswoning rechtvaardigen. Voorts is niet in geschil dat appellant sub 2 in zijn beslissing omtrent vrijstelling het provinciale beleid in aanmerking moet nemen en dat indien een tweede bedrijfswoning niet noodzakelijk is, deze volgens provinciaal beleid wordt beschouwd als een niet in het buitengebied toegestane nieuwe burgerwoning.

Verweerder heeft ter zitting erkend dat het provinciale beleid met betrekking tot bebouwing ten behoeve van woon- en bedrijfsdoeleinden in het buitengebied niet is gewijzigd ten opzichte van het provinciale beleid zoals dat gold ten tijde van de goedkeuring van het bestemmingsplan “Buitengebied”.

Vast staat dat verweerder destijds in dit beleid geen aanleiding heeft gezien goedkeuring aan artikel 16, derde lid, onder 2, sub a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied” te onthouden.

In het licht van het vorenoverwogene is de Afdeling van oordeel dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom ten tijde van het nemen van het onderhavige goedkeuringsbesluit anders zou moeten worden geoordeeld over de planologische aanvaardbaarheid van deze bepaling dan bij het nemen van het eerdere goedkeuringsbesluit.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover verweerder daarbij goedkeuring heeft onthouden aan artikel 16, derde lid, onder 2, sub a, van de planvoorschriften.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Overigens merkt de Afdeling nog op dat appellant sub 2 ter zitting heeft medegedeeld dat thans geen gebruik zal kunnen worden gemaakt van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 16, derde lid, onder 2, sub a, van de planvoorschriften, nu niet aannemelijk is dat een tweede bedrijfswoning bij het bedrijf noodzakelijk is.

2.8. Verweerder dient ten aanzien van het beroep van appellante sub 1 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het beroep van appellant sub 2 is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 20 mei 2003, RE2002.110211, voorzover het betrekking heeft op de onthouding van goedkeuring aan artikel 16, derde lid, onder 2, sub a, van de planvoorschriften;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 777,93, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (voor ieder afzonderlijk € 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004

85-449.