Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
200301666/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2000 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd een aan hem overgelegd geboortebewijs ten name van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) alsmede een huwelijksakte te legaliseren. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 87

Uitspraak

200301666/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 28 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2000 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd een aan hem overgelegd geboortebewijs ten name van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) alsmede een huwelijksakte te legaliseren. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 28 mei 2002 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit, alsmede de brief van 21 februari 2001 waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 28 januari 2003, verzonden op 30 januari 2003, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 juni 2003 heeft de minister van antwoord gediend. Daarbij heeft hij op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om ten aanzien van een aantal stukken, die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade te Accra in Ghana verrichte verificatieonderzoek, toe te staan dat appellant daarvan geen, althans gedeeltelijk geen, kennis kan nemen. Op 19 augustus 2003 heeft de Afdeling beslist dat het verzoek gerechtvaardigd is. Bij brief van 25 augustus 2003 heeft appellant toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend.

Bij voormelde brief van 25 augustus 2003 en bij brief van 22 oktober 2003 heeft appellant een nadere memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2003, waar appellant in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.B. Schluter, amtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

Het onderzoek ter zitting is vervolgens onder toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb geschorst.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting hervat op 9 december 2003, waar dezelfde personen, zijn verschenen.

Het onderzoek is vervolgens opnieuw onder toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb geschorst. Aangezien partijen tijdens laatstvermelde zitting toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven van een nadere zitting, heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Bij een verzoek om legalisatie pleegt de minister bij documenten uit onder meer Ghana de inhoud ervan te verifiëren, alvorens over legalisatie wordt besloten. Dit gebeurt, omdat is gebleken dat een aanzienlijk deel van de uit dat land afkomstige aangeboden documenten inhoudelijk niet juist is. Op grond hiervan wordt getwijfeld aan de juistheid van de inhoud van zulke documenten. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat de inhoud ervan deugdelijk is. Dat dient in beginsel met uit schriftelijke, objectieve bronnen afkomstige gegevens te gebeuren. Indien de twijfel aan de juistheid van de inhoud van het document of een onderdeel daarvan bij het verificatieonderzoek niet wordt weggenomen, wordt legalisatie geweigerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 mei 2000 in zaak no. 199900131/01 (JB 2000/165, JV 2000/116 en AB 2000, 305) acht zij het door de minister gevoerde beleid met betrekking tot ter legalisatie overgelegde documenten uit, onder meer, Ghana niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist. Er is geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.

2.2. De weigering het geboortebewijs te legaliseren is in bezwaar gehandhaafd, omdat bij verificatieonderzoek voor de juistheid van de in dit document genoemde geboortedatum geen bevestiging is gevonden in schriftelijke, objectieve bronnen.

2.2.1. De legalisatie van de huwelijksakte is geweigerd op de voet van het gevoerde koppelingsbeleid. Dit beleid houdt in dat een akte die betrekking heeft op de burgerlijke staat van een persoon die afkomstig is uit de door de minister aangewezen landen, waaronder Ghana, slechts wordt gelegaliseerd indien de juistheid van de persoons- en afstammingsgegevens van de in die akte vermelde persoon is vastgesteld aan de hand van een na verificatie in orde bevonden geboortebewijs. De Afdeling heeft in de uitspraak van 24 april 2001 in zaak no. 200005554/01 (ABkort 2001, 331), het aldus toegepaste uitgangspunt niet rechtens onjuist geacht. Er is evenmin grond daarover thans anders te oordelen.

2.3. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister niet aan het door hem gevoerde beleid heeft mogen vasthouden en de weigering om het geboortebewijs en de huwelijksakte te legaliseren niet op de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen heeft mogen handhaven.

2.3.1. Appellant betoogt dat het door de minister gevoerde beleid innerlijk tegenstrijdig is, omdat een doop- of schoolregister, waarvan de gegevens zonder controle zijn aangeleverd door betrokkene zelf, diens familieleden of personen uit hun directe omgeving, wel wordt aangemerkt als objectieve onafhankelijke bron en een paspoortregister niet.

2.3.1.1. Dit betoog faalt, reeds omdat het miskent dat een paspoort slechts wordt afgegeven op basis van een doop- of geboortebewijs, zodat een paspoort dan wel het register waarin de afgifte van een paspoort wordt geregistreerd, niet is aan te merken als een van het geboortebewijs onafhankelijke, objectieve bron. Derhalve is van innerlijk tegenstrijdig beleid, als door appellant bedoeld, geen sprake.

Voorzover appellant betoogt dat het paspoort is afgegeven slechts op basis van informatie verstrekt door de vreemdeling dan wel derden, kan dit document evenmin worden aangemerkt als onafhankelijke bron, nu het paspoort recent, te weten op 21 mei 1998, is afgegeven en niet is uitgesloten dat de ten behoeve van de afgifte van het paspoort verstrekte informatie is aangepast aan hetgeen in het kader van een in het verschiet liggende legalisatieprocedure wenselijk werd geacht.

2.3.2. Voorzover appellant betoogt dat in een eerdere procedure is meegedeeld dat een geboortedatum is neergelegd in een register van een oom van de vreemdeling, dat als een objectieve bron van informatie kan worden aangemerkt, faalt dit betoog, reeds omdat dit register niet is overgelegd en de minister bij de beslissing op bezwaar noch de rechtbank bij de beoordeling van het beroep hiermee rekening heeft kunnen houden.

2.3.3. Voorzover appellant verder betoogt dat een belangenafweging had dienen plaats te vinden, gelet op de gevolgen die de weigering om tot legalisatie te besluiten met zich brengt voor de procedure met betrekking tot de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf, miskent hij dat bij legalisatie uitsluitend van belang is of het desbetreffende document wat betreft zijn inhoud van zodanige kwaliteit is, dat het verantwoord is het in de Nederlandse rechtsorde een zelfstandige rol te laten vervullen. Niet van belang is, welke gevolgen een eventuele weigering om het document te legaliseren met zich kan brengen voor degene die om legalisatie heeft verzocht. Die gevolgen kunnen, zoals appellant bekend is uit een parallelle procedure inzake een machtiging tot voorlopig verblijf, die inmiddels is verleend, door de daartoe bevoegde instanties onder ogen worden gezien in de procedure, waarvoor het document nodig is. Daarin kan beoordeeld worden of de belangen van betrokkene moeten prevaleren boven die, gediend met het stellen van de eis van legalisatie. Voorzover appellant betoogt dat de rechtbank het bij haar bestreden besluit in zoverre heeft getoetst aan beleid dat dateert van na het bestreden besluit, berust dit op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak.

2.3.4. Voorts brengt, anders dan appellant betoogt, de omstandigheid dat de overgelegde huwelijksakte is ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) niet met zich dat de minister de weigering dit document te legaliseren niet mag handhaven. Het betoog miskent dat deze inschrijving onverlet laat, dat de juistheid van de persoons- en afstammingsgegevens van de in die akte vermelde persoon niet zijn vastgesteld aan de hand van een na verificatie in orde bevonden geboortebewijs en dit aan legalisatie van dit document in de weg staat.

2.3.5. Voorzover appellant betoogt dat er sprake is van een situatie van bewijsnood, levert dit, wat hiervan ook zij, geen bijzondere omstandigheid op die aanleiding kan geven voor afwijking van het met betrekking tot legalisatie van documenten uit onder meer Ghana, door de minister gevoerde beleid, nu de situatie van bewijsnood, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 mei 2002 in zaak no. 200102521/1 (www.raadvanstate.nl), door de minister onder ogen is gezien bij het vaststellen van het te voeren beleid.

2.3.6. Ten slotte is van schending van artikel 16 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, als door appellant bedoeld, geen sprake, nu, nog daargelaten of er sprake is van een ieder verbindende bepaling, legalisatie ziet op de juistheid van de inhoud van de overgelegde documenten en de weigering tot legalisatie van bepaalde documenten, die de vreemdeling betreffen, geen ontkenning behelst van de vreemdeling als persoon voor de wet.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Beerse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004

382.