Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2392

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
200301090/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2000 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) aan appellante wegens overtreding van artikel 52j, eerste lid, van het Mediabesluit een boete opgelegd van € 9.075,60 (ƒ 20.000,00).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301090/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Scandinavian Broadcasting System SBS 6 B.V., gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 14 januari 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het Commissariaat voor de Media.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2000 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) aan appellante wegens overtreding van artikel 52j, eerste lid, van het Mediabesluit een boete opgelegd van € 9.075,60 (ƒ 20.000,00).

Bij besluit van 11 januari 2001 heeft het Commissariaat het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 maart 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 april 2003 heeft het Commissariaat van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A. Kramer, manager personele en juridische zaken, en het Commissariaat, vertegenwoordigd door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam, en mr. L.H. Doorman, werkzaam bij het Commissariaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 135 van de Mediawet – voor zover hier van belang – kan het Commissariaat de verzorger van een programma dat door middel van een omroepzender of een omroepnetwerk wordt uitgezonden, onderscheidenlijk de aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 22 500 per overtreding bij overtreding van enig bij of krachtens deze wet gesteld voorschrift.

Ingevolge artikel 52j, eerste lid, van het Mediabesluit – voor zover hier van belang – worden in de programma’s van commerciële omroepinstellingen geen namen, beeldmerken, logo’s, handelsmerken, produkten, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen vermeld of getoond, indien de desbetreffende commerciële omroepinstelling, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, daarmee beoogt of mede beoogt het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald produkt of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van produkten of de afname van diensten te bevorderen.

2.2. Het Commissariaat stelt zich op het standpunt dat appellante artikel 52j, eerste lid, van het Mediabesluit heeft overtreden, door aan het slot van het programmaonderdeel Breekijzer op de aftitelrol de naam “Breekijzer Hulplijn” met telefoonnummer en adres te vermelden, terwijl tegelijkertijd door de “voice-over” onder meer de volgende tekst wordt uitgesproken: “Wilt u direct juridisch advies over uw problemen, dan kunt u bellen met de Breekijzer Hulplijn. Telefoonnummer 0900 Breekijzer. Maar let goed op, deze service kost ƒ 1,50 per minuut.”

2.3. Vast staat dat de Breekijzer Hulplijn een telefonische dienst is die wordt bezet door medewerkers van Jurofoon. De producent van Breekijzer is een overeenkomst aangegaan met de holding waartoe Jurofoon behoort teneinde in reactie op het grote aantal telefonische vragen van kijkers juridisch advies te kunnen geven. Voor de hulplijndienst wordt een commercieel tarief gerekend, waaruit onder meer een financiële vergoeding voor de medewerkers van Jurofoon wordt betaald. Een deel van de opbrengst gaat naar de producent van Breekijzer.

2.4. In het primaire besluit heeft het Commissariaat zich op het standpunt gesteld dat artikel 52j, eerste lid, van het Mediabesluit niet van toepassing zou zijn indien de vermelding en vertoning van de Breekijzer Hulplijn een aankondiging was in verband met een rechtstreeks van het programmaonderdeel Breekijzer afgeleid ondersteunend product. In dat geval zou sprake zijn van zelfpromotie, waartegen het Commissariaat vooralsnog niet wenst op te treden. Deze uitzondering deed zich hier evenwel niet voor, aangezien reeds aan het eerste van een drietal criteria dat het Commissariaat voor de afbakening van het begrip zelfpromotie had ontwikkeld – dat het een eigen product betreft van de omroepinstelling – niet was voldaan.

In de beslissing op bezwaar heeft het Commissariaat, met overneming in zoverre van het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften, de motivering aangepast in die zin dat uitsluitend is beoordeeld of in dit geval sprake was van een overtreding van artikel 52j, eerste lid, van het Mediabesluit, ongeacht of van zelfpromotie sprake is. Deze vraag heeft het Commissariaat bevestigend beantwoord.

Ter zitting in hoger beroep heeft het Commissariaat hieraan toegevoegd dat het bezig is een gedoogbeleid te ontwikkelen voor uitingen van zelfpromotie die louter op de eigen omroep betrekking hebben.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat, aangezien appellante heeft gesteld dat hier sprake is van zelfpromotie en vaststaat dat dit een bijzondere vorm van reclame is, daarmee tevens vaststaat dat sprake was van een reclame-uiting. Voorts heeft, aldus de rechtbank, het Commissariaat in redelijkheid kunnen oordelen dat deze uiting geschikt was om een positieve houding van het publiek ten opzichte van de Breekijzer Hulplijn en de door haar aangeboden diensten te bevorderen, zodat terecht is geoordeeld dat artikel 52j van het Mediabesluit is overtreden. De toepassing van de bevoegdheid een boete op te leggen is naar het oordeel van de rechtbank niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist geweest. Nu voorts de hoogte van de boete niet in geschil is en het beroep van appellante op een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar faalt, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

2.6. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de onderhavige uitingen van zelfpromotie niet als reclameboodschap in de zin van de Mediawet moeten worden aangemerkt, slaagt niet. Dit betoog berust op een onjuiste interpretatie van een passage uit de Nota van Toelichting bij het besluit van 7 december 1999, houdende wijziging van het Mediabesluit (implementatie wijziging richtlijn “Televisie zonder grenzen”), Stb. 1999, 545, waarin is vermeld dat aankondigingen van omroepinstellingen in verband met de eigen programma’s en met rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten tot de hoofdtaak van de omroepinstelling worden gerekend en derhalve niet als reclame worden aangemerkt. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat ook zelfpromotie als reclame dient te worden aangemerkt en dat aan die passage geen ruimere strekking kan worden gegeven dan dat uitingen van zelfpromotie slechts voor de berekening van de reclamemaxima niet als reclame worden aangemerkt. Voor dit oordeel kan voorts steun worden gevonden in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet met het oog op noodzakelijke verbeteringen van de wet en de uitvoering daarvan, Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 476, nr. 3, p. 10.

2.7. Het betoog van appellante dat de rechtbank onvoldoende heeft getoetst of appellante het oogmerk had reclame te maken, slaagt evenmin. De rechtbank heeft immers uitdrukkelijk het standpunt van het Commissariaat dat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat met de onderhavige uitingen is beoogd het publiek te bewegen tot het gebruik maken van de dienstverlening van de Breekijzer Hulplijn, onderschreven. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Het Commissariaat heeft kunnen aannemen dat deze uitingen, welke geen onopvallend karakter droegen en evenmin van enige kritische kanttekening waren voorzien, geschikt zijn om een positieve houding van het publiek ten opzichte van de Breekijzer Hulplijn en de door de Breekijzer Hulplijn verleende diensten te bevorderen. Anders dan in het door appellant genoemde geval van het verslag van een sportwedstrijd, waarbij rond het sportveld geplaatste reclameborden mogelijk onopzettelijk in beeld komen, is een aanvullende motivering van het oogmerk hier niet vereist.

2.8. Uit de motivering van de beslissing op bezwaar, zoals ter zitting nader verduidelijkt, blijkt voorts voldoende waarom van het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften om de opgelegde sanctie in te trekken, is afgeweken. Nu uit dat advies voortvloeide dat appellante de Mediawet had overtreden, kon het Commissariaat ook gelet op dat advies de opgelegde sanctie bij de beslissing op bezwaar handhaven. Ook overigens heeft de rechtbank terecht geen reden gezien de beslissing op bezwaar voor onjuist te houden. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Haverkamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004

306.