Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2389

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
200305207/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Nijmegen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 18 februari 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Woonpark Oosterhout 2002".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200305207/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend, respectievelijk gevestigd te Oosterhout,

2. [appellanten sub 2], wonend te Oosterhout,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Nijmegen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 18 februari 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Woonpark Oosterhout 2002".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 juli 2003, no. RE2003.27071, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 5 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2003, en appellanten sub 2 bij brief van 10 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2003, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 7 oktober 2003.

Bij brief van 21 oktober 2003 heeft verweerder medegedeeld dat de beroepschriften hem geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2003, waar appellanten sub 1, in de persoon van [een van de appellanten sub 1], en bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, gemachtigde, appellanten sub 2, in de persoon van [een van de appellanten sub 2], en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Nijmegen, vertegenwoordigd door J.J.C. Rensen, W. Wentink en E.M. Leene, ambtenaren bij de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan maakt de bouw van ongeveer 1900 woningen nabij de kern Oosterhout mogelijk. Het plangebied is een onderdeel van de Nijmeegse Vinex-locatie de Waalsprong, dat voorziet in de uiteindelijke bouw van 12.000 woningen ten noorden van de Waal.

2.3. Appellanten sub 1, supermarktondernemers in de kern Oosterhout, kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen, voor zover goedkeuring is verleend aan de ruimte die het plan biedt aan 2.000 m2 detailhandel. Zij stellen in dat verband dat de toegestane oppervlakte voor detailhandel te groot is en leidt tot overbewinkeling. Deze opvatting vindt steun in distributie-planologisch onderzoek, waarin staat dat ruimte is voor 1.400 m2 detailhandel, aldus appellanten.

2.4. De gemeenteraad stelt dat uit distributie-planologisch onderzoek blijkt dat de distributieve ruimte voor detailhandel in het woonpark Oosterhout 1.400 m2 bedrijfsvloeroppervlakte (hierna: bvo) bedraagt. In de planvoorschriften is bepaald dat maximaal 1 supermarkt is toegestaan met een maximum bvo van 1.200 m2. Het plan voorziet in de realisatie van een buurtwinkelcentrum met een totale omvang van ongeveer 1.910 m2 bvo. Het betreft maximaal 1.400 m2 detailhandel, 300 m2 zakelijke dienstverlening en 200 m2 cafetaria en kapper. De gemeenteraad is van mening dat de conclusies van het distributie-planologisch onderzoek in het plan zijn overgenomen, waardoor van overbewinkeling geen sprake is.

2.5. Verweerder stelt zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt dat de distributieve ruimte voor detailhandel in het woonpark Oosterhout 1.400 m2 bvo bedraagt. Uit onderzoek blijkt volgens verweerder voorts dat bij de voorgestane distributieve ontwikkeling recht zal worden gedaan aan de bevolkingsgroei enerzijds en de concurrentieverhoudingen met omliggende detailhandelvestigingen anderzijds. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan op dit punt goedgekeurd.

2.6. Op de plankaart is binnen de bestemming “Centrumvoorzieningen” een bouwvlak ingetekend van 2.000 m2.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de planvoorschriften wordt onder bedrijfsvloeroppervlakte verstaan de totale oppervlakte, binnenwerks gemeten, van alle op een bouwperceel aanwezige bebouwing, boven en onder peil, ten dienste van één bepaalde binnen een bestemming toegestane bedrijfsmatige activiteit met inbegrip van alle daartoe behorende ruimten als magazijnen, administratieruimten en overige dienstruimten.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Centrumvoorzieningen” aangewezen gronden onder meer bestemd voor detailhandel.

Ingevolge het tweede lid onder d., van dat artikel is maximaal één supermarkt toegestaan met een maximum bedrijfsvloeroppervlakte van 1.200 m2.

2.7. Het plan voorziet door middel van de genoemde bestemming “Centrumvoorzieningen” in de ontwikkeling van een nieuw winkelcentrum. De basis hiervoor ligt in het rapport “Ontwikkelingsvisie Winkelstructuur” van IMK-REA uit 1994. In opdracht van het gemeentebestuur van Nijmegen is dit rapport door BRO adviseurs in ruimtelijke ordening, economie en milieu (hierna: BRO) geactualiseerd. Dit heeft geresulteerd in het rapport “Distributieve toets en advies detailhandel Oosterhout” van 19 oktober 2000 (hierna: BRO-rapport). Hierin zijn twee centrale vragen gesteld:

”1. Is de omvang van het nieuwe winkelcentrum distributieplanologisch verantwoord, rekening houdend met ondernemersbelangen en consumentenbelangen, nu en in de toekomst?

2. Wat is het autonome perspectief van de bestaande winkelvoorzieningen in Oosterhout-dorp en welke effecten zijn te verwachten als gevolg van de voorgestelde ontwikkeling?”

In het rapport wordt de aanbeveling gedaan geen winkelcentrum maar een zogenoemd buurtsteunpunt in de vorm van een grote complete supermarkt (met inbegrip van bijvoorbeeld een postagentschap, drogisterij en tabakswarenverkoophoek) te bouwen met een bvo van ongeveer 1.400 m2. Aanvulling kan geschieden in de vorm van bijvoorbeeld een kapper en een cafetaria.

2.8. De Afdeling stelt voorop dat het beroep van appellanten, zoals zij ter zitting ook hebben erkend, is ingegeven door de vrees voor aantasting van het bestaande voorzieningenniveau in Oosterhout-dorp. De Afdeling stelt vast dat het plan 2000 m2 bvo detailhandel mogelijk maakt.

Ter zitting is hieromtrent gebleken dat het in het plan voorziene winkelcentrum reeds is gebouwd. De supermarkt heeft een omvang van ongeveer 600 m2. Daarnaast is er een drogisterij (ongeveer 450 m2), een kapper (ongeveer 123 m2), een videotheek (ongeveer 135 m2), een apotheek (ongeveer 140 m2) en een ruimte van de Rabobank waarin een pinautomaat is gevestigd. De overige ruimte (ongeveer 550 m2) wordt thans onder meer gebruikt voor opslag en als kantoor en kantine voor personeel. Deze overige ruimte kan in de toekomst mogelijk worden aangewend voor uitbreiding van de bestaande supermarkt tot de in het plan maximaal toegestane grootte van 1.200 m2 bvo.

Voor zover appellanten betogen dat de toegestane oppervlakte voor detailhandel te groot is en leidt tot overbewinkeling, overweegt de Afdeling het volgende. In de conclusie van het BRO-rapport wordt onder meer gesteld dat de voorgestelde omvang van het toekomstige winkelcentrum in het Woonpark Oosterhout aan de ruime kant wordt geacht. De realisatie van een detailhandelsconcentratie met een kleinere omvang is distributief wel verantwoord en wordt tevens wenselijk geacht. De verzorging voor de inwoners van het woonpark blijft met een winkelvoorziening in de vorm van een buurtsteunpunt gewaarborgd, terwijl de inwoners van Oosterhout-dorp hiervan ook profiteren.

Het autonome perspectief van het aanbod in Oosterhout-dorp is in zijn huidige vorm op langere termijn niet rooskleurig. BRO verwacht echter niet dat de huidige zaken als gevolg van de komst van een winkelcentrum in het woonpark direct in hun bestaan bedreigd worden.

Deze conclusie uit het BRO-rapport laat naar het oordeel van de Afdeling zodanige ruimte, dat niet met vrucht kan worden betoogd dat de toegestane oppervlakte voor detailhandel zonder meer te groot is en leidt tot overbewinkeling. Overigens geeft de huidige invulling van het winkelcentrum, zoals hiervoor beschreven, ook geen aanleiding voor een dergelijk oordeel. Voorts kan uit de conclusie van het BRO-rapport, anders dan appellanten menen, niet worden afgeleid dat de thans in het plan opgenomen bvo voor detailhandel aanleiding geeft voor het oordeel dat voor aantasting van het bestaande voorzieningenniveau in Oosterhout-dorp moet worden gevreesd. Hierbij neemt de Afdeling nog in aanmerking dat het plan maximaal één supermarkt toestaat, waarbij de maximaal toegestane bvo voor deze supermarkt, in overeenstemming met het BRO-rapport, is begrensd tot 1.200 m2.

2.9. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van appellanten sub 1 is ongegrond.

2.10. Appellanten sub 2 hebben een melkrundveehouderij en jongveebedrijf aan de Dorpsstraat in Oosterhout, op korte afstand van het plangebied. Zij moeten een deel van hun bedrijfsgronden afstaan voor de bouw van woningen in het Waalspronggebied. Appellanten wensen in ruil hiervoor gronden die liggen in vlek 10 West in het plangebied. Het plan voorziet echter in woningbouw op deze plaats. Appellanten kunnen zich hiermee niet verenigen. Verder zijn zij van mening dat de waterhuishouding in het plan niet goed is geregeld. Zij stellen in beroep dat verweerder het plan op deze onderdelen ten onrechte heeft goedgekeurd en vragen in zoverre vernietiging van het bestreden besluit.

2.11. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat compensatie van gronden in het gebied Woonpark Oosterhout niet mogelijk is omdat het hele gebied wordt ontwikkeld voor woningbouw. Verder zijn in het “Integrale Waterplan voor de Waalsprong” van 19 februari 1999

(hierna: het integrale waterplan) in overleg met de waterbeheerder de hoofdcontouren voor de waterplannen van dit deelgebied vastgelegd. In samenwerking met het waterschap is de afwatering van het plangebied in het bestemmingsplan geregeld in overeenstemming met het integrale waterplan. Aanpassing hiervan is niet mogelijk.

2.12. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op deze punten in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij stelt dat de door appellanten bedoelde gronden in het plangebied niet voor compensatie kunnen worden aangewend in verband met de keuze voor woningbouw als uitvoering van het VINEX-project de Waalsprong. Andere gronden die voor compensatie in aanmerking kunnen komen liggen buiten de begrenzing van het voorliggende plan(gebied).

Verder is verweerder - kortgezegd - van mening dat de waterhuishouding in het plangebied op een toereikende wijze is geregeld.

2.13. De Afdeling stelt allereerst vast dat appellanten geen gronden bezitten in het thans in geding zijnde plangebied. De Afdeling stelt verder vast dat appellanten met name bezwaar hebben tegen het feit dat nog geen passende oplossing is gevonden om hun verlies aan gronden vanwege het Waalsprongproject te compenseren.

Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de Grond Exploitatie Maatschappij Waalsprong CV namens het gemeentebestuur van Nijmegen in onderhandeling is om gronden in Ressen te kopen, welke kunnen worden geruild tegen de gronden van appellanten die nodig zijn voor woningbouw. Ter zitting hebben appellanten verklaard dat zij deze gronden wat betreft hun ligging, grootte en waarde in beginsel geschikt vinden als compensatie. Zowel verweerder als de gemeenteraad hebben erkend dat een spoedige overeenstemming over de compensatiegronden gewenst is en hebben verklaard zich hiervoor te zullen inzetten. De Afdeling ziet op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de belangen van appellanten, in het bijzonder wat betreft de mogelijkheid van compensatie in het plangebied, onvoldoende heeft meegewogen. Verweerder heeft in dit geval de beschikbaarheid van de gronden in het plangebied voor woningbouw zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van appellanten bij compensatie in het plangebied voor hun verlies aan gronden.

2.14. Voorts overweegt de Afdeling dat verweerder uitgebreid is ingegaan op de manier waarop de waterhuishouding in het plan is geregeld. Uit datgene wat appellanten in hun beroepschrift en ter zitting naar voren hebben gebracht blijkt niet dat het plan op dit punt in strijd is met enig wettelijk voorschrift of dat verweerder het in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten.

2.15. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van appellanten sub 2 is ongegrond.

2.16. Ten aanzien van appellanten sub 1 en sub 2 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Dorst

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004

357.