Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
200300205/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gs) op grond van artikel 12 van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (hierna: het Brrm) het Provinciaal Restauratie-Uitvoeringsprogramma 2001-2006 (hierna: het PRUP) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300205/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 28 november 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gs) op grond van artikel 12 van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (hierna: het Brrm) het Provinciaal Restauratie-Uitvoeringsprogramma 2001-2006 (hierna: het PRUP) vastgesteld.

Bij besluit van 12 maart 2002 heeft het college van gs, overeenkomstig het advies van de Derde Kamer uit de bezwarencommissie-Awb van 12 februari 2002, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2002, verzonden op 3 december 2002, voorzover thans van belang, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 februari 2003. Laatstvermelde brief is aangehecht.

Bij brief van 20 juni 2003 heeft het college van gs van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak te samen met de zaak met nr. 200300423/1 ter zitting behandeld op 11 september 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door B.J. Hamer, ambtenaar der gemeente, het college van gs, vertegenwoordigd door drs. V.M.J.A.N. Collette, ambtenaar der provincie, en de Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente van Rockanje, vertegenwoordigd door H. van Erkel-den Otter, secretaris, bijgestaan door P. Looren de Jong, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter beoordeling ligt eerst voor of de rechtbank terecht, onder gegrondverklaring van het beroep en zelf in de zaak voorziend, het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat appellant naar haar oordeel geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de vaststelling van het PRUP.

2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

2.3. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 34) is inzake artikel 1:2, tweede lid, van de Awb vermeld dat de vraag of kan worden gesproken van een aan een bestuursorgaan als zodanig toevertrouwd belang, moet worden beoordeeld aan de hand van de taken die aan het bestuursorgaan in kwestie zijn opgedragen. Daarvoor is in de eerste plaats de wetgeving bepalend, waaruit voor sommige bestuursorganen ruime en voor andere bestuursorganen beperkte taakpakketten afleidbaar zijn, aldus de Memorie van Toelichting.

2.4. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 kan de Minister subsidie verstrekken ten behoeve van het herstel en de instandhouding van beschermde monumenten.

Ingevolge artikel 34, derde lid, van de Monumentenwet 1988, voorzover thans van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, bedoeld in het eerste lid.

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 34, derde lid, van de Monumentenwet 1988 is het Brrm vastgesteld.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Brrm kan het provinciaal bestuur jaarlijks voor de binnen de provincie gelegen niet-budgethoudende gemeenten een provinciaal restauratie-uitvoeringsprogramma vaststellen, waarin staat aangegeven welke beschermde monumenten uit die gemeenten en in welke volgorde deze naar zijn oordeel voor subsidie in aanmerking komen.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Brrm maken besturen van de gemeente, bedoeld in het eerst lid, kenbaar welke beschermde monumenten naar hun oordeel in het restauratie-uitvoeringsprogramma opgenomen zouden moeten worden en in welke volgorde.

Ingevolge artikel 12, vierde lid, van het Brrm wijkt het provinciaal bestuur bij de vaststelling van een provinciaal restauratie-uitvoeringsprogramma niet af van een volgorde als bedoeld in het tweede lid.

2.5. Gelet op artikel 12, tweede en vierde lid, van het Brrm, moet worden geoordeeld dat aan appellant, zijnde het college van burgemeester en wethouders van een niet-budgethoudende gemeente, de belangen zijn toevertrouwd, als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, van de Awb, zowel ter zake van het opnemen van beschermde monumenten in een restauratie-uitvoeringsprogramma als de volgorde waarin. De rechtbank kan dan ook niet worden gevolgd in haar oordeel dat appellant alleen belanghebbende bij het restauratie-uitvoeringsprogramma is voorzover wordt afgeweken van de door appellant aangegeven volgorde waarin de door appellant aangewezen beschermde monumenten in het restauratie-uitvoeringsprogramma moeten worden opgenomen. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.6. De Afdeling ziet zich voorts gesteld voor de vraag of het college van gs kon besluiten de restauratie van het orgel in de Nederlandse Hervormde kerk te Rockanje niet op te nemen in het PRUP, omdat, nu een monumentenvergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 ontbrak, naar zijn mening het restauratieplan niet uitvoeringsgereed was.

Aangezien dezelfde vraag aan de orde is in de heden gedane uitspraak van de Afdeling in de zaak met nr. 200300423/1 – een kopie van die uitspraak is aangehecht –, wordt voor de beoordeling hiervan naar die uitspraak verwezen. Het college van gs mocht er van uitgaan dat een monumentenvergunning nodig was en heeft derhalve kunnen besluiten de restauratie van het voormelde orgel niet op te nemen in het PRUP. De rechtbank heeft dit miskend. Zij had, gelet hierop, het door appellant ingestelde beroep ongegrond moeten verklaren.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 28 november 2003, AWB 02/2101 BESLU;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de Secretaris van de Raad van State aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 327,00) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004

66-424.