Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2373

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
200305986/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2000, kenmerk 0011623 (hierna: het eerste vaststellingsbesluit), heeft verweerder sub 1 (hierna: het college van dijkgraaf en hoogheemraden) op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet op de waterkering (hierna: de Wet), het dijkversterkingsplan ”Zederik/Hagestein-Everdingen” in de gemeenten Zederik en Vianen vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200305986/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

1. het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden;

2. het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

3. het college van burgemeester en wethouders van Zederik,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2000, kenmerk 0011623 (hierna: het eerste vaststellingsbesluit), heeft verweerder sub 1 (hierna: het college van dijkgraaf en hoogheemraden) op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet op de waterkering (hierna: de Wet), het dijkversterkingsplan ”Zederik/Hagestein-Everdingen” in de gemeenten Zederik en Vianen vastgesteld.

Bij besluit van 3 april 2001, kenmerk DWM/2000/13249 (hierna: het eerste goedkeuringsbesluit), heeft verweerder sub 2 (hierna: het college van gedeputeerde staten) op grond van artikel 21, tweede lid, van de Wet, bovengenoemd besluit goedgekeurd.

Bij besluit van 7 september 2001, kenmerk 2000/01, heeft verweerder sub 3 (hierna: het college van burgemeester en wethouders) aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden een aanlegvergunning verleend krachtens het bestemmingsplan “Buitengebied Zederik” ten behoeve van de uitvoering van het dijkversterkingsplan.

Bij besluit van 22 februari 2002, kenmerk 2000/02 en 2000/03, heeft het college van burgemeester en wethouders de aanlegvergunning van 7 september 2001 gewijzigd en een aanlegvergunning verleend krachtens de bestemmingsplannen “Stad Ameide 1987” en “Doornwaard”.

Bij uitspraak van 2 oktober 2002, nr. 200105111/1, heeft de Afdeling beslist op de tegen deze besluiten ingestelde beroepen en heeft zij, voor zover van belang, het eerste vaststellingsbesluit en het eerste goedkeuringsbesluit gedeeltelijk en de aanlegvergunningen geheel vernietigd.

Bij besluit van 20 mei 2003, kenmerk 0304787, heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet, het dijkversterkingsplan ”Zederik/Hagestein-Everdingen” opnieuw vastgesteld voor het traject Zederik.

Bij besluit van 24 juni 2003, kenmerk DGWM/2003/7144, heeft het college van gedeputeerde staten op grond van artikel 21, tweede lid, van de Wet, dit besluit goedgekeurd.

Bij besluit van 8 juli 2003, kenmerk 2003/1142, deel 1, 2 en 3, heeft het college van burgemeester en wethouders aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden enkele vrijstellingen verleend krachtens de bestemmingsplannen “Buitengebied Zederik”, “Lexmond Landelijk Gebied” en “Doornwaard” ten behoeve van de uitvoering van het dijkversterkingsplan voor het traject Zederik.

Tegen deze laatste drie besluiten heeft [appellant] bij brief van 5 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2003, beroep ingesteld.

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden heeft bij brief van 20 oktober 2003, het college van gedeputeerde staten bij brief van 21 oktober 2003 en het college van burgemeester en wethouders bij brief van 15 oktober 2003, een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2004, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [partij], het college van dijkgraaf en hoogheemraden, vertegenwoordigd door drs. P.A.J.M. van Bragt, ambtenaar van het hoogheemraadschap, het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. drs. S. Hoitinga, ambtenaar van de provincie en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door drs. A. Neles, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het voorliggende door het college van dijkgraaf en hoogheemraden vastgestelde dijkversterkingsplan, dat door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd, heeft betrekking op dijken die deel uitmaken van de hoofdwaterkering van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden voor het traject Zederik. Met het plan wordt beoogd voor dit traject tegemoet te komen aan de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2002.

2.2. [appellant] stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd en dat ten onrechte aanlegvergunningen zijn verleend ten behoeve van de uitvoering van dit dijkversterkingsplan. Hij betwijfelt de noodzaak van binnendijkse versterking ter hoogte van zijn woning en de als gevolg daarvan noodzakelijke aankoop van een deel van zijn grond. Daarnaast stelt hij dat de dijkversterking schade aan zijn woning zal veroorzaken, dat de woning door het verlies aan grond in waarde zal dalen en dat de onteigeningslijn niet zorgvuldig is voorbereid. Tenslotte stelt hij dat hij in zijn woongenot wordt aangetast door onder andere geluidsoverlast, stankoverlast en verkeersoverlast en verlies aan uitzicht en privacy, onder meer door de aanleg buitendijks van een strandje ter hoogte van zijn woning.

2.3. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden stelt dat de dijk over het gehele traject zover rivierwaarts wordt verlegd, dat alle binnendijkse bebouwing, waaronder ook de woning van [appellant] aan de [locatie], kan blijven bestaan. Nog verdere rivierwaartse verlegging aldaar komt volgens hem in strijd met de belangen die zijn neergelegd in de beleidslijn “Ruimte voor de rivier”, zoals bekendgemaakt in de Staatscourant van 12 mei 1997. Deze beleidslijn, die als doelstelling heeft meer ruimte voor de rivier te scheppen om mens en dier duurzaam te beschermen tegen overstroming alsmede materiële schade te beperken, is een van de uitgangspunten van het dijkversterkingsplan, aldus verweerders. Voorts is de door appellant verwachte (zetting)schade, zo stelt het college van dijkgraaf en hoogheemraden, niet te verwachten.

Het strandje wordt volgens het college van dijkgraaf en hoogheemraden aangelegd als compensatie voor het verlies aan ligweide elders langs de dijk en sluit aan op een bestaand strandje en twee ligweiden. De totale oppervlakte aan recreatief te gebruiken gronden ter hoogte van de woning van appellant neemt volgens hem ten gevolge van de dijkversterking af.

2.4. De Afdeling stelt voorop dat het eerste vaststellingsbesluit en het eerste goedkeuringsbesluit onherroepelijk zijn, voor zover deze niet zijn vernietigd. Deze onderdelen kunnen derhalve thans niet meer aan de orde worden gesteld. Voor zover hier van belang zijn in de uitspraak van de Afdeling alleen de besluiten wat betreft de onteigeningslijn ter hoogte van de woning van [appellant] vernietigd. Het recreatieve strandje dat is beoogd ter hoogte van zijn woning maakte reeds deel uit van het eerste vaststellingsbesluit en dit onderdeel van het plan is in stand gebleven. De bezwaren tegen dit strandje kunnen in deze procedure niet meer aan de orde komen.

2.5. In genoemde uitspraak heeft de Afdeling, voor zover van belang, het volgende overwogen:

”Uit de stukken en ter zitting is aannemelijk geworden dat zettingschade door de verhoging van de dijk met 10 centimeter, als hier aan de orde, niet valt te verwachten. Overigens worden de gevolgen van de dijkversterking steeds gevolgd en met betrekking tot eventueel optredende schade is voorzien in een nadeelcompensatieregeling die met voldoende rechtswaarborgen is omkleed.

Ook een bij de afweging van belangen doorslaggevende aantasting van het woongenot van [appellant] is niet aannemelijk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ten aanzien van hem geen sprake is van onaanvaardbare toename van geluidsoverlast en beperking van het uitzicht, mede omdat de op de dijk gelegen weg op nagenoeg dezelfde plaats blijft.

Gelet op het vorenstaande hebben het college van dijkgraaf en hoogheemraden zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van [appellant] bij rivierwaartse verlegging niet opwegen tegen het belang gediend met het vrijhouden van het rivierbed in het kader van “Ruimte voor de rivier”. Gedeputeerde staten hebben in zoverre geen reden behoeven te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

Eigendom bij het hoogheemraadschap van een deel van de gronden van [appellant] is voorts noodzakelijk om de stabiliteit en erosiebestendigheid van de dijk te waarborgen. Deze gronden bestaan voor het merendeel uit talud en berm en vertegenwoordigen geen bijzondere waarden. Ter zitting is namens dijkgraaf en hoogheemraden verklaard dat aankoop van de gronden waarop de carport van [appellant] is gelegen, met inbegrip van de gronden die de toegang vormen, niet noodzakelijk is. De op de plankaarten aangegeven onteigeningslijn is derhalve niet juist.

Nu verwerving van de gronden waarop de carport en de toegang daartoe is gelegen niet noodzakelijk is ter uitvoering van de dijkversterking, is de Afdeling van oordeel dat het besluit wat betreft de onteigeningslijn ter plaatse van het perceel van [appellant] niet zorgvuldig is voorbereid. Het beroep van [appellant] is derhalve in zoverre gegrond en het dijkversterkingsplan en de goedkeuring daarvan zijn in strijd met artikel 3:2 van de Awb en komen in zoverre voor vernietiging in aanmerking.”

2.6. Hieruit volgt dat de bezwaren van [appellant] met betrekking tot de noodzaak van binnendijkse in plaats van rivierwaartse versterking ter hoogte van zijn woning en de als gevolg daarvan noodzakelijke aankoop van een deel van zijn grond, de gestelde schade aan en waardedaling van zijn woning, alsmede de regeling voor de vergoeding daarvan, en de aantasting van zijn woongenot ten gevolge van het dijkversterkingsplan door de Afdeling reeds zijn beoordeeld. De Afdeling ziet geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.

2.6.1. Volgens het dijkversterkingsplan, zoals dat nu is vastgesteld en goedgekeurd, behoeven de carport en de toegang daartoe niet meer te worden verworven en de onteigeningslijn is in zoverre aangepast. Niet is gebleken dat het besluit wat betreft deze onteigeningslijn thans wederom onzorgvuldig is voorbereid. In zoverre is op juiste wijze tegemoet gekomen aan de uitspraak van 2 oktober 2002. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de Onteigeningswet voorziet in een volledige schadeloosstelling, indien minnelijke verwerving niet mogelijk blijkt. Voor het overige is de verwerving en schadeloosstelling een kwestie van uitvoering en in deze procedure niet aan de orde.

2.6.2. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college van dijkgraaf en hoogheemraden het plan in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het college van gedeputeerde staten heeft geen reden behoeven te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze besluiten anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel, dan wel enig algemeen rechtsbeginsel. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.7. De Afdeling overweegt tenslotte dat het college van burgemeester en wethouders geen aanlegvergunningen heeft verleend voor de uitvoering van het dijkversterkingsplan. Voor zover [appellant] heeft bedoeld beroep in te stellen tegen de door het college van burgemeester en wethouders verleende vrijstellingen, overweegt de Afdeling dat [appellant] niet heeft gesteld op grond waarvan deze onrechtmatig zouden moeten worden geacht. Hetgeen appellant heeft aangevoerd ten aanzien van de gevolgen van het dijkversterkingsplan voor zichzelf en voor zijn gronden kan wat dat betreft niet worden geacht ook betrekking te hebben op de vrijstellingen, nu voor deze gronden geen vrijstellingen zijn verleend. Ook anderszins is niet gebleken dat de vrijstellingen zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht of met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel, dan wel enig algemeen rechtsbeginsel. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004

317-410.