Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2015

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200302506/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 1996 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Westerschouwen geweigerd om appellante een vergunning te verlenen voor het plaatsen van een strandpaviljoen ter hoogte van de [locatie], nabij de [locatie] te Westerschouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302506/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 11 maart 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 1996 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Westerschouwen geweigerd om appellante een vergunning te verlenen voor het plaatsen van een strandpaviljoen ter hoogte van de [locatie], nabij de [locatie] te Westerschouwen.

Bij besluit van 26 januari 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Westerschouwen, (hierna: het college) het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 1999 heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 26 januari 1998 vernietigd.

Bij besluit van 18 juni 2001 heeft het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2002 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juni 2001 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt.

Bij besluit van 7 juni 2002 heeft het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het primaire besluit, met verbetering van gronden, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 11 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brieven van 20 en 21 oktober 2003 heeft appellante een nadere reactie ingezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2003, waar appellante in persoon en [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door M.J. van den Berge, ambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland, en mr. U.T. Hoekstra, advocaat te Middelburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5.2.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de voormalige gemeente Westerschouwen en sedert 1 januari 1999 van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de APV), voorzover thans van belang, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen en te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden. Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder f, kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.

2.2. Tot 1997 ging (de rechtsvoorganger van) het college ervan uit dat voor het plaatsen van strandpaviljoens geen bouwvergunning was vereist, zodat eventuele verzoeken om plaatsing van strandpaviljoens niet werden getoetst aan het geldende bestemmingsplan. Voor het plaatsen van strandpaviljoens werden huurovereenkomsten gesloten en standplaatsvergunningen uitgegeven. Als gevolg van de Strandnota van januari 1996, de beleidsnotitie Strandpaviljoens op Schouwen-Duiveland uit 1998 en de Uitwerking Strandnota uit 1999 is het aantal strandpaviljoens uitgebreid tot circa 14. In 1997 is het college gebleken dat voor het plaatsen van strandpaviljoens een bouwvergunning nodig was en dat de geldende bestemmingsplannen hieraan in de weg stonden. In afwachting van een herziening van deze plannen is besloten om de huidige situering van de bestaande tijdelijke strandpaviljoens niet meer te wijzigen.

Bij besluit van 7 juni 2002 heeft het college de weigering om appellante een standplaatsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 5.2.3, zesde lid, onder f, van de APV gehandhaafd wegens strijd met het bestemmingsplan “Westerschouwen Buitengebied West”.

2.3. Appellante betoogt in hoger beroep uitsluitend dat de rechtbank heeft miskend dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Volgens appellante moet worden uitgegaan van de situatie ten tijde van het besluit van 14 oktober 1996. Volgens appellante is verder miskend dat bij nadien verleende vergunningen nimmer een bestemmingsplantoets heeft plaatsgevonden. Appellante meent dat zij voor een vergunning in aanmerking had moeten worden gebracht, omdat uit de Strandnota Westerschouwen van 1996 niet blijkt dat het plaatsen van een nieuw strandpaviljoen bij duinovergang ’t Klokje uit planologisch oogpunt ongewenst was. Dat de door haar gewenste locatie was gelegen in de nabijheid van een natuurgebied kan volgens haar evenmin reden voor weigering zijn, omdat de gemeente in de bestemmingplanprocedure “Compensatielocatie Rampweg”, heeft voorzien in de uitbreiding van een camping die is gelegen in de nabijheid van hetzelfde natuurgebied. Nu het aantal paviljoens na 1996 met tenminste vier is uitgebreid, ziet appellante niet in waarom haar positie van die van de andere paviljoenhouders verschilt. Het college had bij de beoordeling van haar aanvraag voorts het maximumstelsel buiten beschouwing moeten laten, omdat dit stelsel eerst met de Strandnota van 1999 is ingevoerd.

2.4. De Afdeling volgt appellante niet in haar betoog dat de situatie ten tijde van het besluit van 14 oktober 1996 als maatgevend moet worden beschouwd. Volgens vaste rechtspraak heeft als uitgangspunt te gelden dat de beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van die beslissing en de te dien tijde geldende rechts- en beleidsregels en dat geen aanleiding bestaat op dit uitgangspunt een uitzondering te maken in een situatie als de onderhavige waarin sprake is van heroverweging na vernietiging van een eerdere beslissing op bezwaar. Het beleid van 1996 vormt geen aanleiding om van bedoeld uitgangspunt af te wijken, reeds omdat appellante ook met toepassing van dat beleid niet voor een standplaatsvergunning in aanmerking zou zijn gebracht. Hierbij is in aanmerking genomen dat de locatie waarop zij het oog had is gelegen in de nabijheid van een natuurgebied en uit de sedert 1996 gehanteerde beleidsnota’s van de gemeenteraad genoegzaam is gebleken dat het plaatsen van strandpaviljoens in de nabijheid van natuurgebieden steeds ongewenst is geacht. Dat zich nabij hetzelfde natuurgebied thans ook een camping bevindt, leidt niet tot een ander oordeel nu, zoals het college met recht stelt, voor de desbetreffende locatie een ander bestemmingsplan geldt en aan de besluitvorming terzake andere afwegingen ten grondslag liggen. Ook het invoeren van een maximumstelsel voor strandpaviljoens doet aan het voorgaande niet af.

2.5. Nu ingevolge het vigerende bestemmingsplan plaatsing van een strandpaviljoen op de desbetreffende locatie niet was toegestaan, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bevoegd was om op grond van artikel 5.2.3, zesde lid, onder f, van de APV de gevraagde vergunning te weigeren.

Bij het antwoord op de vraag of het college van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken kwam hem beleidsvrijheid toe. Niet is gebleken dat het college de grenzen van die beleidsvrijheid heeft overschreden. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals door appellante betoogd, is gelet op het vorenoverwogene geen sprake. Nu ook overigens niet kan worden gezegd dat het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken moet worden geoordeeld dat de aanvraag terecht is afgewezen.

2.6. Het standpunt van appellante dat het college had moeten aangeven op welke locaties het plaatsen van een strandpaviljoen wel toelaatbaar was, deelt de Afdeling niet, omdat de aanvraag van appellante uitsluitend betrekking had op de locatie […], nabij [locatie], en appellante in haar aanvraag niet te kennen heeft gegeven ook voor andere locaties te opteren. Het college was uitsluitend gehouden op de aanvraag te beslissen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Bakker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

393.