Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200302158/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het verwerken van schoon zaagsel en resthout. De inrichting ligt op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Schermer, sectie […], nummers […], […], […], […], […], […] (ged.), […] (ged.) en […]. Dit besluit is op 20 februari 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/2379
JOM 2006/1023
JAF 2004/4 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302158/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Schermer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het verwerken van schoon zaagsel en resthout. De inrichting ligt op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Schermer, sectie […], nummers […], […], […], […], […], […] (ged.), […] (ged.) en […]. Dit besluit is op 20 februari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 april 2003.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 1 september 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2003. Daar zijn appellanten vertegenwoordigd door mr. drs. L.T. van Eyck van Heslinga, advocaat te Alkmaar. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. T. Nijman, ing. EJ.P.R. Kraakman en ing. T. Mosch, ambtenaren van de milieudienst regio Alkmaar. Ter zitting is namens [vergunninghoudster] het woord gevoerd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De vraag of verweerder bevoegd was te beslissen op de aanvraag om een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het verwerken van schoon zaagsel en resthout dient de Afdeling ambtshalve bij haar beoordeling te betrekken. De Afdeling zal daarom in de eerste plaats op deze vraag ingaan op grond van de hierna volgende feiten en omstandigheden.

2.2. In de inrichting worden zaagsel, houtstof en houtkrullen gezeefd en in verschillende fracties opgesplitst. Het eindproduct wordt in balen geperst of opgeslagen, al naar gelang de vraag van de afnemers. Die afnemers zijn met name veehouderijen, maneges en de spaanplaatindustrie. Het zaagsel, de houtstof en de houtkrullen worden betrokken van de houtverwerkende industrie, waar deze stoffen bij het bewerken van hout worden afgezogen. Afhankelijk van de omstandigheden dient de aanvrager voor die stoffen te betalen, krijgt hij die stoffen om niet of krijgt hij voor het afnemen van die stoffen een vergoeding.

2.3. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

2.3.2. Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

2.3.3. In categorie 28.4, aanhef en onder c, sub 1°, van bijlage I bij het Besluit, is bepaald dat gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn ten aanzien van inrichtingen voor het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen, anders dan verbranden, van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen.

2.3.4. In artikel 1, onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, (hierna: de Richtlijn) wordt "afvalstof" gedefinieerd als: "Elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I (van de Richtlijn) genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen".

2.3.5. In artikel 1, onder c, van de Richtlijn wordt houder nader omschreven als: "De producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft".

2.4. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 18 december 1997 in de zaak C-129/96 (Inter-Environnement Wallonie) geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de betekenis van de term "zich ontdoen van". Of sprake is van een afvalstof in de zin van de Richtlijn moet evenwel worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van die richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

2.5. Het zaagsel, de houtstof en de houtkrullen zijn restproducten van de houtverwerkende industrie die niet bewust worden geproduceerd en die niet kunnen worden gebruikt overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming van het bewerkte hout. Volgens de maatschappelijke opvatting betreft het bedrijfsafvalstoffen waarvan de houtverwerkende industrie zich dient te ontdoen. Dat die stoffen alleen afkomstig zijn van schoon hout en dat geen voorzorgsmaatregelen nodig zijn voor bepaald gebruik, is onvoldoende om hierover anders te oordelen. Voor de aanvrager zijn dit afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn. Het zeven en persen zoals dat plaatsvindt in de inrichting, betreft activiteiten als genoemd in categorie 28.4 van bijlage I, behorende bij het Besluit.

2.6. Het vorenstaande leidt de Afdeling tot het oordeel dat de inrichting valt onder categorie 28.4 van bijlage I, bij het Besluit. Zoals is weergegeven in rechtsoverweging 2.3.3., zijn gedeputeerde staten aangewezen als het tot vergunningverlening bevoegde gezag voor die categorie. Door inhoudelijk te beslissen op de aanvraag om vergunning heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De Afdeling is daarom van oordeel dat het besluit onbevoegd is genomen.

2.7. Het beroep is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven derhalve geen bespreking meer.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schermer van 11 februari 2003;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schermer in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 682,67, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Schermer te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Schermer aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

157.