Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2012

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200302523/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Limmen aan appellante aanlegvergunning verleend voor het keren van grond op het perceel, kadastraal bekend gemeente Limmen, sectie […], nrs. […] en […] (oud), […].[…] en […].[…] (nieuw) (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/103 met annotatie van R.J. van Dam

Uitspraak

200302523/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Rooms Katholieke Parochie Heilige Cornelius, gevestigd te Limmen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 3 maart 2003 in het geding tussen:

[wederpartijen], allen wonend te Limmen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Castricum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Limmen aan appellante aanlegvergunning verleend voor het keren van grond op het perceel, kadastraal bekend gemeente Limmen, sectie […], nrs. […] en […] (oud), […].[…] en […].[…] (nieuw) (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 april 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Limmen, voorzover hier van belang, het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het bestreden besluit, onder aanpassing van de motivering, in stand gelaten.

Bij besluit van 4 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum (rechtsopvolger van de gemeente Limmen, hierna: het college) het besluit van 6 april 2000 ingetrokken en besloten dat voor de door appellante op 28 juni 1998 aangegeven omzettingsactiviteiten geen aanlegvergunning noodzakelijk was.

Bij uitspraak van 3 maart 2003, verzonden op 11 maart 2003, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 6 april 2000 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het tegen het besluit van 4 juli 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, die beslissing vernietigd voorzover daarbij de aanlegvergunning is ingetrokken wegens het ontbreken van rechtskracht van de bestemmingsplanwijziging en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 mei 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 juni 2003 hebben [wederpartijen] een memorie ingediend. Bij brief van 4 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.M. van de Laar, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door M. Tromp, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Daar zijn ook [wederpartijen] gehoord, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Hoorn.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 6 april 2000 heeft het college de op 23 juni 1999 verleende aanlegvergunning gehandhaafd. Bij besluit van 4 juli 2002 heeft het college zijn eerdere besluit ingetrokken omdat het niet aannemelijk acht dat de wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied”, waarin onder meer een aanlegvergunningstelsel is opgenomen, rechtskracht heeft verkregen. Volgens het college is het besluit van de raad van de gemeente Limmen van 26 oktober 1988 tot vaststelling van die wijziging blijkens een brief van het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) van 12 juni 1990 weliswaar van rechtswege goedgekeurd, maar blijkt niet dat voldaan is aan de vereisten van artikel 26, tweede lid en artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals deze artikelen luidden ten tijde hier van belang.

2.2. In hoger beroep komt appellante op tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat de wijziging van het bestemmingsplan nimmer in werking is getreden. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of destijds aan het bepaalde in voormelde artikelen is voldaan. De Afdeling ziet zich echter eerst gesteld voor de vraag of die artikelen in dit geval bepalend zijn voor de inwerkingtreding van de wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied”.

2.3. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de WRO, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, ligt een bestemmingsplan na de vaststelling gedurende één maand ter gemeentesecretarie ter inzage. De terinzagelegging geschiedt zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen één maand na de dagtekening van het raadsbesluit. De nederlegging wordt bekend gemaakt op de wijze, in artikel 23, tweede lid, aangegeven. De bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het indienen van bezwaren.

Ingevolge het tweede lid van die bepaling delen burgemeester en wethouders aan hen, die bezwaren hebben ingediend, de beslissing daaromtrent mede.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, beslissen Gedeputeerde Staten binnen drie maanden of indien tegen het vastgestelde plan bedenkingen zijn ingediend binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzagelegging, genoemd in artikel 26, eerste lid.

Ingevolge het derde lid van die bepaling wordt het plan geacht te zijn goedgekeurd indien Gedeputeerde Staten binnen de in het tweede lid gestelde termijn geen beslissing aan de gemeenteraad hebben toegezonden.

Ingevolge het vijfde lid van die bepaling, voorzover hier van belang, doen Gedeputeerde Staten, indien het derde lid toepassing heeft gevonden, van dat feit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen één maand na de dag waarop Gedeputeerde Staten geacht worden ten aanzien van het plan te hebben beslist, mededeling aan de gemeenteraad, aan hen die bezwaren hebben ingediend, aan de provinciale planologische commissie en aan de inspecteur van de ruimtelijke ordening.

Ingevolge het zesde lid van die bepaling ligt het besluit van Gedeputeerde Staten, of zo het derde lid toepassing heeft gevonden de mededeling van Gedeputeerde Staten, zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen één maand na verzending van de in het vijfde lid genoemde mededeling met het bestemmingsplan gedurende één maand ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage. De nederlegging wordt bekendgemaakt op de wijze in artikel 23, tweede lid, aangegeven. De bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het instellen van beroep.

Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de WRO, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, maakt de burgemeester de nederlegging te voren in de Nederlandse Staatscourant, in één of meer dag- of nieuwsbladen, die in de gemeente verspreid worden, en voorts op de gebruikelijke wijze bekend. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de bekendmaking.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de WRO, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, is het besluit van Gedeputeerde Staten tot goedkeuring onherroepelijk ten aanzien van die gedeelten van het bestemmingsplan, waartegen bij hen geen bezwaren zijn ingediend en waarop bij hen ingediende bezwaren niet mede betrekking hebben.

2.4. De Afdeling stelt vast dat haar uit ambtshalve verricht onderzoek is gebleken dat eerder genoemd raadsbesluit van 26 oktober 1988 tot vaststelling van de wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied” in de Staatscourant van 9 november 1988 (nr. 218) is bekendgemaakt. Daarin is onder meer vermeld dat het ontwerp-wijzigingsbesluit is vastgesteld zoals het ter visie heeft gelegen en dat deze met ingang van 10 november 1988 gedurende een maand voor een ieder ten gemeentehuize ter inzage ligt. Op grond van de stukken moet als vaststaand worden aangenomen dat het college, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 26, tweede lid, voormeld, aan hen, die bezwaren hadden ingediend tegen het ontwerp-wijzigingsbesluit, de beslissing omtrent de vaststelling van de wijziging van het plan mede hebben gedeeld.

Uit de inhoud van eerder genoemde brief van het college van gedeputeerde staten van 12 juni 1990 leidt de Afdeling voorts af dat tegen de vastgestelde wijziging van het bestemmingsplan geen bezwaren zijn ingediend bij het college van gedeputeerde staten. Het tegendeel is gesteld noch gebleken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat, gezien het bepaalde in artikel 29, eerste lid, voormeld, het (van rechtswege) besluit van het college van gedeputeerde staten tot goedkeuring van de wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied” onherroepelijk is. Uit het bepaalde in het artikel 28, tweede en derde lid, voormeld, volgt dat het van rechtswege besluit is ontstaan drie maanden na de datum van terinzagelegging van de vastgestelde wijziging van het bestemmingsplan. Vanaf die datum heeft het gewijzigde plan rechtskracht.

2.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het toetsingskader voor de aanvraag van appellante wordt gevormd door het bestemmingsplan “Buitengebied”, zoals nadien gewijzigd. Het college heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor de omzettingsactiviteiten geen aanlegvergunning noodzakelijk was.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. Nu de rechtbank het besluit van 4 juli 2002 reeds (gedeeltelijk) heeft vernietigd, kan de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, worden bevestigd. Het college dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van [wederpartijen] te nemen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Molenaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

369.