Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2011

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200302053/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 12 februari 2001 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; hierna: de Minister) de aanvragen van appellanten om subsidie op grond van de Regeling structuurverbetering glastuinbouw uit 1997 (hierna: de Regeling 1997) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302053/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de besloten vennootschap "Lamothe Fougeres B.V.",

gevestigd te Aalsmeer,

2. de besloten vennootschap "Lebesque Fougeres B.V.",

gevestigd te Aalsmeer,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 26 februari 2003 in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

(thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 12 februari 2001 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; hierna: de Minister) de aanvragen van appellanten om subsidie op grond van de Regeling structuurverbetering glastuinbouw uit 1997 (hierna: de Regeling 1997) afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 17 december 2001 heeft de Minister de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2003, hoger beroepen ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 april 2003 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J.A. Overwater, gemachtigde, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. P.M. Bakker Schut, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Regeling 1997 is op 25 september 1997 vastgesteld en op 2 oktober 1997 in werking getreden (Stcrt. 1997, 187). Zij stoelt volgens haar aanhef op de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1997, nr. 950/97, (Pb. EG L 142; hierna: de Verordening) en zij berust ingevolge artikel 38a, dat bij besluit van 20 juli 2000 (Stcrt. 2000, 139) is ingevoegd, op artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies (Stb. 1997, 710; hierna: de Kaderwet).

Op 18 april 2002 is de volgens haar aanhef op de artikelen 2 en 3 van de Kaderwet berustende Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw 2002 in werking getreden (Stcrt. 2002, 73). Artikel 21 van deze regeling bepaalt dat de Regeling 1997 per 18 april 2002 is ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van subsidieaanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de regeling uit 2002. Aangezien de beide subsidieaanvragen dateren van 8 december 1997 is de Regeling 1997 in de onderhavige zaken van toepassing.

2.2. Ingevolge artikel 2 van de Kaderwet kan de Minister subsidies verstrekken met betrekking tot activiteiten welke passen in het beleid inzake de in dit artikel vermelde beleidsterreinen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling, voorzover thans van belang, kan de Minister ter verbetering van de bedrijfsstructuur van de sector glastuinbouw op aanvraag subsidies verstrekken voor investeringen ten behoeve van de reconstructie van individuele glastuinbouwbedrijven, gericht op de onder dit onderdeel opgesomde doelen.

Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder e, van de Regeling kan een subsidie slechts worden verstrekt aan een rechtspersoon indien de arbeidsduur van het door de rechtspersoon aangewezen bedrijfshoofd voor werkzaamheden ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf ten minste de helft uitmaakt van zijn totale arbeidsduur.

2.3. Het geschil is toegespitst op de uitleg van het begrip "bedrijfshoofd", als bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder e, van de Regeling. Appellanten betogen primair dat hun bedrijfsleiders hieronder begrepen dienen te worden en subsidiair appellanten zelf, zodat voldaan is aan de in voornoemde bepaling vervatte eis. Gelet hierop heeft de Minister volgens appellanten ten onrechte de aanvragen om subsidie afgewezen.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat [directeur] en [enig aandeelhouder] van appellante sub 1 respectievelijk appellante sub 2, moeten worden aangemerkt als bedrijfshoofden in de zin van de Regeling van appellante sub 1 respectievelijk appellante sub 2. Vervolgens heeft zij geoordeeld dat de Minister terecht heeft geweigerd subsidies op de voet van de Regeling te verstrekken aan appellanten, omdat onder meer niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder e, van de Regeling.

2.5. Uit het systeem van de Regeling 1997, gelezen in samenhang met de toelichting, volgt dat met de term bedrijfshoofd in de Regeling 1997 de feitelijke ondernemer van het glastuinbouwbedrijf is bedoeld. De Afdeling wijst terzake met name op artikel 5 van de Regeling 1997, dat ziet op de subsidieverstrekking aan een bedrijfshoofd en waarbij uit de toelichting blijkt dat het daarbij gaat over de ondernemer. Uit de toelichting op artikel 5 blijkt bovendien dat het bij een bedrijfshoofd niet kan gaan om een werknemer in het betrokken glastuinbouwbedrijf, omdat is aangegeven dat de betreffende ondernemer, om voor subsidie op grond van dit artikel in aanmerking te komen, wel elders in de glastuinbouw als werknemer inkomen mag verwerven. Het bedrijfshoofd is de ondernemer die bevoegd is een bedrijfsplan op te stellen, investerings- en andere strategische beslissingen voor het bedrijf te nemen en subsidieaanvragen in te dienen. De rechtbank heeft hierop terecht gewezen, waar zij spreekt van grote ondernemersbeslissingen.

De bedrijfsleiders van appellanten, die bij laatstgenoemden in loondienst werken, zijn niet bevoegd op strategisch niveau beslissingen te nemen en dragen ook overigens geen verantwoordelijkheden op dit niveau. Zij zijn hoofdzakelijk belast met de operationele bedrijfsvoering en hebben enige beslissingsbevoegdheid op tactisch niveau. De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de bedrijfsleiders van appellanten niet zijn aan te merken als bedrijfshoofden in de zin van de Regeling 1997.

Gelet op het vorenoverwogene kan het betoog dat in de Nederlandse taal bedrijfshoofd en bedrijfsleider synoniem zijn, wat er ook van zij, niet leiden tot een ander oordeel. Dat in andere subsidieregelingen, naar appellanten nog betogen, geen onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijfshoofd en bedrijfsleider, kan evenmin leiden tot een ander oordeel, reeds omdat die subsidieregelingen niet van toepassing zijn op de onderhavige zaken.

2.5.1. Gelet op artikel 7, derde lid, aanhef en onder e, van de Regeling 1997 kan een bedrijfshoofd in de zin van de Regeling 1997 slechts een natuurlijk persoon zijn. Dat in de Verordening (in artikel 5) onder "bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw" naast een natuurlijke ook een rechtspersoon kan worden verstaan, maakt dit niet anders, aangezien een dergelijke bepaling niet in de Regeling 1997 is overgenomen en hiertoe ook niet de verplichting bestond. Appellanten zijn dan ook, in tegenstelling tot hetgeen zij betogen, evenmin zelf aan te merken als bedrijfshoofden.

2.5.2. Voorzover appellanten betogen dat [directeur] en [enig aandeelhouder] als bedrijfshoofden zijn aan te merken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat vast staat dat hun werkzaamheden ten behoeve van appellanten niet ten minste de helft uitmaken van hun totale arbeidsduur.

2.5.3. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat niet is voldaan aan de in artikel 7, derde lid, aanhef en onder e, van de Regeling 1997 gestelde eis, zodat de Minister de aanvragen om subsidie terecht heeft afgewezen.

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

164-424.