Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2009

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200301780/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2000 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; hierna: de Minister), in overeenstemming met het advies van de beoordelingscommissie, een aanvraag van appellant om subsidie op grond van de Stimuleringsregeling innovatie markt en concurrentiekracht (hierna: de Regeling) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301780/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 6 februari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

(thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2000 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; hierna: de Minister), in overeenstemming met het advies van de beoordelingscommissie, een aanvraag van appellant om subsidie op grond van de Stimuleringsregeling innovatie markt en concurrentiekracht (hierna: de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 6 november 2001 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2003, verzonden op 7 februari 2003, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 mei 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juli 2003 heeft de Minister van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Een afschrift hiervan is aan de wederpartij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2003, waar appellant in persoon, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. B.T. Goerdat, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Regeling berust ingevolge artikel 27a, dat bij regeling van 15 december 1997 (Stcrt. 1997, 245) is toegevoegd, op artikel 2 van de op 1 januari 1998 in werking getreden Kaderwet LNV-subsidies (Stb. 1997, 710; hierna: de Kaderwet).

Ingevolge artikel 2 van de Kaderwet kan de Minister subsidies verstrekken met betrekking tot activiteiten welke passen in het beleid inzake de in dit artikel vermelde beleidsterreinen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet, voorzover thans van belang, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Regeling wordt in de Regeling onder innovatieproject verstaan: samenhangend geheel van activiteiten gericht op:

- het creëren van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, technieken, systemen, processen, diensten of organisatievormen tot aan – maar niet met inbegrip van – de commerciële toepassing op praktijkschaal, en

- het verwerven van kennis ten behoeve van de onder het eerste streepje bedoelde activiteiten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling kan de Minister ter stimulering van het innovatieve vermogen in de landbouw-, de visserij- of de bosbouwsector op aanvraag subsidie verstrekken voor innovatieprojecten die:

a. zijn gericht op de productie, de be- of verwerking van of de handel in producten uit de landbouw, de visserij of de bosbouw in Nederland en

b. een duur van ten hoogste drie jaar hebben.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Regeling beoordeelt de beoordelingscommissie in welke mate het innovatieproject:

a. een innovatief karakter heeft;

b. economisch of technisch perspectief heeft op toepassing op praktijkschaal;

c. een uitstralingseffect kan hebben voor toepassing door andere ondernemingen.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Regeling kan de beoordelingscommissie de Minister adviseren een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

2.2. Ter beoordeling ligt voor of de rechtbank terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat de Minister niet heeft kunnen besluiten de aanvraag van appellant van 1 december 1999 om subsidie op grond van de Regeling ten behoeve van het project "Landdweilmachine greppelaar met pompwerking" af te wijzen.

2.3. Aan het besluit van 19 mei 2000, dat in de beslissing op bezwaar van 6 november 2001 is gehandhaafd, ligt het in een beoordelingsmemorandum neergelegde advies van de beoordelingscommissie, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Regeling, ten grondslag. De beoordelingscommissie heeft daarin geconcludeerd dat het project niet nieuw is, geen perspectief biedt en evenmin uitstraling heeft. Zij heeft dan ook afwijzend geadviseerd. In haar nadere advies ten behoeve van de beslissing op bezwaar heeft zij niet anders geadviseerd. De Minister heeft deze adviezen in zijn besluiten van 19 mei 2000 onderscheidenlijk 6 november 2001 overgenomen.

2.4. Appellant heeft in hoger beroep weliswaar gesteld te voldoen aan het in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling opgenomen criterium, maar heeft deze stellingname niet nader onderbouwd. De door hem aangevoerde omstandigheden dat er door regen (soms) veel schade wordt veroorzaakt en dat veel boeren mogelijk bij het project van appellant gebaat zouden zijn, zijn niet te brengen onder de in artikel 10, eerste lid, van de Regeling vervatte criteria, waaraan een op grond van de Regeling ingediende subsidieaanvraag moet worden getoetst. Deze omstandigheden kunnen, gelijk de rechtbank terecht heeft overwogen, geen rol spelen bij de beoordeling van de subsidieaanvraag en dienen in zoverre buiten de beoordeling te worden gelaten. Hetzelfde geldt voor de door appellant aangevoerde reden dat het de taak van de overheid is zorg te dragen voor de veiligheid van haar burgers en zo mogelijk de risico's van noodsituaties te verkleinen.

Het project voldoet, zoals de Minister terecht heeft overwogen, ook overigens niet aan de andere criteria van artikel 10, eerste lid, van de Regeling. Appellant heeft geen gronden aangevoerd die aanleiding geven voor een ander oordeel. Van enige onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het besluit, zoals door appellant wordt gesteld, is niet gebleken.

Het na afloop van het vooronderzoek door appellant ingebrachte stuk van ing. M. Bus van 3 november 2003, bedoeld als contra-expertise, kan, omdat het eerst in hoger beroep is ingebracht en niet is gebleken dat dit niet eerder had kunnen geschieden, niet worden meegewogen in de beoordeling van de aangevallen uitspraak, nog daargelaten of de in dit stuk vervatte verklaring als contra-expertise is aan te merken.

Gelet op het vorenoverwogene, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de Minister niet heeft kunnen besluiten de aanvraag van appellant af te wijzen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

164-424.