Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO2002

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200301556/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2002 heeft de raad van de gemeente Raalte (hierna: de raad) het verzoek van appellanten om een schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) toegewezen tot een bedrag van € 6.806,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2001 tot de dag van uitbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/1042
O&A 2004, 22

Uitspraak

200301556/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 20 februari 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Raalte.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2002 heeft de raad van de gemeente Raalte (hierna: de raad) het verzoek van appellanten om een schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) toegewezen tot een bedrag van € 6.806,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2001 tot de dag van uitbetaling.

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft de raad het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J.G.M. Koolhof, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten zijn eigenaar van een eengezinswoning aan de [locatie] te [plaats]. Niet in geschil is dat zij schade hebben geleden doordat de waarde van die woning is verminderd ten gevolge van een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 49 van de WRO, dat de bouw van een Chinees restaurant met parkeerplaats nabij de woning mogelijk heeft gemaakt. Partijen verschillen van mening over de omvang van de schadevergoeding.

2.2. Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op het oordeel van de rechtbank dat het verminderde woongenot, als schade in de vorm van waardedaling van de woning van appellanten, de grond heeft gevormd voor de toekenning van schadevergoeding aan appellanten.

2.3. Appellanten betogen dat uit het advies van de Schadebeoordelingscommissie van 7 november 2001 en het advies van de commissie Bezwaarschriften van 6 juni 2002 moet worden afgeleid dat het verminderd woongenot niet is verdisconteerd in de aan hen toegekende planschadevergoeding. Zij stellen voorts dat dit kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat aan de huurster van de betrokken woning een planschadevergoeding is toegekend wegens vermindering van woongenot.

2.4. Dit betoog slaagt niet. In haar advies concludeert de Schadebeoordelingscommissie dat de woning van appellanten in waarde is gedaald in verband met de geur- en lawaaioverlast, met name in de avonduren en de weekends, en in verband met de aanwezigheid van het parkeerterrein en de daar staande verlichting. Deze vormen van overlast moeten worden aangemerkt als factoren die het woongenot aantasten. Niet valt in te zien hoe deze vormen van overlast tot een waardedaling van de woning kunnen leiden, anders dan door aantasting van het woongenot. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat de vermindering van het woongenot de grond heeft gevormd voor de aan appellanten toegekende schadevergoeding. Dat de raad ook een planschadevergoeding in verband met de aantasting van het woongenot heeft toegekend aan de huurster van de woning aan de [locatie], doet daar niet aan af. Gelet op het voorgaande – en in aanmerking genomen dat de door de Schadebeoordelingscommissie ter bepaling van de omvang van de schade gehanteerde taxatiebedragen in hoger beroep niet zijn bestreden – kan niet worden geoordeeld dat de aantasting van het woongenot onvoldoende in het schadebedrag is verdisconteerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

66-413.