Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1996

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200303541/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2003, kenmerk Wm. nr. 148-01, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een varkens- en rundveehouderij op het perceel [locatie sub 1], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 20 april 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303541/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2003, kenmerk Wm. nr. 148-01, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een varkens- en rundveehouderij op het perceel [locatie sub 1], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 20 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2003, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door ing. J.W. Vlasveld en A.M.F Coenraad-Schilperoort, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben ter zitting betoogd dat verweerder ten onrechte de bewoners van het adres [locatie sub 2] te Rosmalen geen kennisgeving van het ontwerp van het besluit heeft doen toekomen. Voorts hebben zij gesteld meer geluidoverlast te verwachten. Zij hebben deze gronden echter niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Het bestreden besluit heeft betrekking op een revisievergunning voor een varkens- en rundveehouderij, waarbij de traditionele stallen voor de varkens worden vervangen door Groen Label-stallen en het aantal varkens toeneemt. Voor de inrichting is eerder, op 29 januari 1992, een revisievergunning op grond van de Hinderwet verleend.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.4. Appellanten hebben betoogd dat de inrichting stankoverlast veroorzaakt. Het gaat hier volgens hen om een forse uitbreiding, zowel wat het aantal dieren, als de huisvesting en de mestproductie betreft. Bovendien bevinden zich binnen de stankcirkel een aantal woonhuizen, aldus appellanten.

2.4.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd, voorzover het de afstandsbepaling en de in bijlage 2 van de Richtlijn genoemde vaste afstanden betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft verweerder de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd. Verweerder heeft voor de beoordeling van de cumulatieve stankhinder het rapport “Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij” van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Publicatiereeks Lucht, nr. 46, als uitgangspunt genomen.

Hij staat op het standpunt dat de vergunning uit een oogpunt van stankhinder verleend kan worden nu het aantal mestvarkeneenheden ten opzichte van de onderliggende situatie niet toeneemt en de afstand van het dichtst bij gelegen emissiepunt van de inrichting tot de omliggende woningen eveneens gelijk blijft.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat niet aan de op grond van de Richtlijn vereiste afstand wordt voldaan.

Voorts is echter niet betwist dat zowel het bij het bestreden besluit vergunde veebestand als het veebestand dat op grond van de onderliggende vergunning mag worden gehouden met toepassing van de omrekeningsfactoren van de Richtlijn overeenkomt met 114,5 mestvarkeneenheden. Het aantal mestvarkeneenheden neemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie derhalve niet toe, evenmin als het aantal dieren waarvoor in de Richtlijn geen omrekeningsfactoren zijn opgenomen. Verder overweegt de Afdeling dat ook de afstand van het dichtst bij gelegen emissiepunt van de inrichting tot de omliggende woningen ten opzichte van de eerder vergunde situatie gelijk blijft. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de situatie uit een oogpunt van stankhinder niet zodanig is, dat met toepassing van artikel 8.4 in samenhang met afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer de aan de vergunning verbonden voorschriften zouden moeten worden aangescherpt dan wel de vergunning geheel of gedeeltelijk zou moeten worden geweigerd. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten hebben gesteld reeds jarenlang vliegenoverlast van de inrichting te ondervinden, terwijl verweerder op klachten niet reageert. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.6. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de kennisgeving van het ontwerp van het besluit en geluidoverlast betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Koten

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

324.