Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1981

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200300998/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2002, kenmerk DGWM/2002/12570, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het opslaan en het bewerken van afvalstoffen. De inrichting is gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […], […], […] en […] en gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is ter inzage gelegd op 6 januari 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300998/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Rijnsburg,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2002, kenmerk DGWM/2002/12570, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het opslaan en het bewerken van afvalstoffen. De inrichting is gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […], […], […] en […] en gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is ter inzage gelegd op 6 januari 2003.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 september 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2003. Daar is appellant vertegenwoordigd door ing. E.H.M. van Loonen en P.W.T.M. Mens, ambtenaren van de gemeente. Verweerder is daar vertegenwoordigd door mr. C.H. Pennekamp-Topman en drs. Ing. J. van den Bos, ambtenaren van de provincie. Namens [vergunninghouder] is het woord gevoerd door mr. drs. H.A. Pasveer, advocaat te Den Bosch.

2. Overwegingen

2.1. Appellant stelt zich op het standpunt dat uit de aanvraag niet eenduidig blijkt wat de begrenzing van de inrichting is. Volgens hem heeft verweerder in ieder geval miskend dat de “Klaverveldlaan” geheel dan wel gedeeltelijk behoort tot de inrichting, zodat het geluid op die weg ten onrechte als wegverkeerslawaai is beoordeeld.

2.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

2.3. Aan de hand van de stukken, waaronder het deskundigenbericht en foto’s van de situatie ter plaatse, gaat de Afdeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.3.1. De vergunning is aangevraagd voor een aannemingsbedrijf op de desbetreffende percelen. De opstallen en de opslagvoorziening van dat bedrijf zijn gesitueerd aan beide zijden van een verharde weg, de Klaverveldlaan. Bij het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten is het gebruik van die weg noodzakelijk. Die weg komt aan de westzijde uit op de Rijnsburgerweg. Op die laan, op 40 meter afstand van de Rijnsburgerweg, bevindt zich een schuifhek, waarmee het bedrijfsterrein buiten openingsuren afgesloten wordt. Aan de oostzijde is het terrein omsloten door een sloot. De Klaverveldlaan wordt daar afgesloten door een hek, dat uitsluitend dient als calamiteitenuitgang voor de daarachter gelegen bloemenveiling. Vanaf die oostelijke uitgang tot de Rijnsburgerweg is de weg in eigendom en beheer bij de aanvrager. De aanvrager heeft enkele loodsen op zijn bedrijventerrein aan derden verhuurd ten behoeve van opslag.

2.3.2. De activiteiten van het aannemingsbedrijf op de Klaverveldlaan, de ligging van die weg op het bedrijfsterrein en de rechten van de aanvrager op die weg, brengen naar het oordeel van de Afdeling met zich dat het deel van die weg dat is gelegen op het bedrijfsterrein, valt binnen de begrenzing van de inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dat dat deel van de weg in beperkte mate wordt gebruikt door de huurders van de loodsen, maakt dat niet anders. Het bedrijfsterrein wordt begrensd door het schuifhek nabij de Rijnsburgerweg en de calamiteitenuitgang. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat die begrenzing van het bedrijfsterrein niet de begrenzing vormt van de inrichting in de hier bedoelde zin. Het verweer dat de Klaverveldlaan op de bij de aanvraag behorende tekening niet is weergegeven als deel van de inrichting treft geen doel, aangezien verweerder bij de behandeling van de vergunningaanvraag de wettelijke definitie van het begrip inrichting dient te hanteren.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit in strijd is met artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, kan dit inhoudelijke gebrek in deze procedure niet worden hersteld of gepasseerd, aangezien de begrenzing van de inrichting hier bepalend is voor de wijze waarop het geluid op het desbetreffende deel van de Klaverveldlaan wordt beoordeeld. Daarom is het beroep gegrond. Het besluit dient reeds om deze reden geheel te worden vernietigd.

2.5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van verweerder van 16 december 2002, kenmerk DGWM/2002/12570;

III. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

157.