Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1980

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200300921/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2001 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het verzoek van appellante om subsidie krachtens de Subsidieregeling Openbare Inland Terminals (hierna: SOIT) voor het project Inland Terminal Wanssum afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 253

Uitspraak

200300921/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 2 januari 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2001 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het verzoek van appellante om subsidie krachtens de Subsidieregeling Openbare Inland Terminals (hierna: SOIT) voor het project Inland Terminal Wanssum afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2002 heeft de Minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 januari 2003, verzonden op 3 januari 2003, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 maart 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 april 2003 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. W.F. Brieër en E. Withaar, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De SOIT vindt haar grondslag in artikel 3 en 4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat.

Op 16 juli 1999 (Stcrt. 1999, 138) heeft de Minister bekendgemaakt dat de SOIT in voorbereiding was. Daarbij is, voor zover hier van belang, tevens bekendgemaakt, dat de subsidieverlening kan worden geweigerd, indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat het project op het moment van in behandeling nemen van de aanvraag nog niet is gestart.

Op 1 november 2000 is de SOIT (Stcrt. 2000, 210), nadat de Europese Commissie daaraan haar goedkeuring heeft gegeven, in werking getreden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de SOIT dient onder project te worden verstaan het investeringsproject waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de SOIT dient onder initiële investeringen te worden verstaan investeringen die betrekking hebben op de realisering van een nieuwe overslagterminal voorzover die nodig zijn om de terminal te laten functioneren.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de SOIT kan de Minister ter bevordering van het gebruik van intermodaal en multimodaal vervoer subsidie verlenen ten behoeve van initiële of uitbreidingsinvesteringen van een overslagterminal. De subsidie kan worden verleend voor zowel investeringen in infrastructuur als in vaste en mobiele uitrusting die nodig is voor de overslag van goederen.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, aanhef en onder b, van de SOIT wordt de subsidie slechts verleend indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen de uitvoering van het project niet reeds geheel of gedeeltelijk is gestart of gestaakt dan wel reeds is voltooid.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de SOIT, kan de subsidieverlening, onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), worden geweigerd, indien niet wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 2.

2.1.1. Uit de toelichting op artikel 2, vierde lid, aanhef en onder b, van de SOIT volgt dat subsidie alleen kan worden verleend, indien op het tijdstip van de ontvangst van de aanvraag het project nog niet in uitvoering is genomen. Een project is onder meer reeds in uitvoering genomen wanneer de initiatiefnemer (dat zal veelal de aanvrager zijn) derden opdracht tot het uitvoeren van werkzaamheden heeft gegeven.

2.2. Het hoger beroep houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister op goede gronden de aanvraag van appellante, die betrekking heeft op initiële investeringen in de zin van artikel 1, aanhef en onder h, van de SOIT, heeft afgewezen.

2.2.1. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de SOIT en met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onder a, van de Awb bestond vanaf 9 augustus 1999 de mogelijkheid subsidieaanvragen in te dienen. Dat appellante haar aanvraag heeft ingediend op 29 maart 2000, vóór de inwerkingtreding van de SOIT, en dat de Minister daarop heeft beslist na de inwerkingtreding van die regeling, leidt in dit geval niet tot strijd met de rechtszekerheid. Immers, de voorwaarden en de weigeringsgronden, die bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van belang zijn, waren reeds bij de vooraankondiging bekendgemaakt. Gelet hierop is bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van appellante terecht de SOIT als toetsingskader gehanteerd.

2.2.2. In dit geschil staat de vraag centraal of op het tijdstip waarop de subsidieaanvraag is ontvangen, te weten 30 maart 2000, de uitvoering van het project geheel of gedeeltelijk was gestart, zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, van de SOIT. In dit geval gaat het om een subsidieaanvraag ten behoeve van initiële investeringen van een overslagterminal. Daaronder dient te worden verstaan investeringen die betrekking hebben op de realisering van een nieuwe overslagterminal voorzover die nodig zijn om de terminal te laten functioneren.

Vaststaat dat op 18 maart 2000 de plaatsing en de opbouw van de kraan op de locatie van de overslagterminal reeds in gang was gezet en dat appellante de kraan voorafgaande aan de werkzaamheden heeft verzekerd. Voorts blijkt uit de stukken dat appellante contractueel verplicht was vóór het oprichten van de kraan alle voorbereidingen en voorzieningen (zoals bijvoorbeeld water- en elektriciteitsvoorziening) te treffen. Na de opbouwwerkzaamheden, die ruim een week in beslag hebben genomen, was de kraan gereed voor onmiddellijke ingebruikname. Hieruit kan worden afgeleid dat appellante reeds vóór de ontvangst van de subsidieaanvraag door de Minister, kosten heeft moeten maken voor het plaatsen en bouwen van de kraan en daarmee initiële investeringen heeft gedaan voor de realisering van de overslagterminal. Dat appellante de kraan noch de grond waarop de terminal zou worden gerealiseerd op dat moment in eigendom had, doet daar niet aan af. Immers, nu appellante degene is die de investeringsbeslissing voor de overslagterminal heeft genomen en de subsidie heeft aangevraagd, rustten op haar de verplichtingen die uit de SOIT voortvloeiden. Voorts moet ervan uit worden gegaan dat appellante opdracht heeft gegeven voor de bouw en plaatsing van de kraan op de locatie waarop de terminal zou worden gerealiseerd en tot het treffen van alle noodzakelijke voorzieningen daarvoor. Niet kan worden staande gehouden dat de toenmalige eigenaar van kraan of grondeigenaar daar voldoende belang bij hadden. Geconcludeerd moet dan ook worden dat appellante reeds is aangevangen met het uitvoeren van het project, voordat de Minister de subsidieaanvraag heeft ontvangen. Dat een ambtenaar van het betrokken ministerie appellante telefonisch slechts zou hebben medegedeeld dat zij vóór het indienen van de subsidieaanvraag geen investeringen mocht doen, waaruit appellante heeft begrepen dat het wel was toegestaan aan te vangen met uitvoeringswerkzaamheden, maakt dit, wat daar ook van zij, niet anders. Gelet op de gepubliceerde vooraankondiging van de SOIT, waarin de voorwaarden voor een eventuele subsidieverlening duidelijk kenbaar waren opgenomen, dient een mogelijk bij appellante ontstaan misverstand voor haar rekening te blijven.

2.2.3. Blijkens Afdelingsjurisprudentie waarnaar appellante heeft verwezen en waarvan ook blijkt uit de uitspraak van 20 mei 1997, in de zaak H01.96.0206 (aangehecht), kan, indien is aangevangen met de uitvoering van investeringen voordat een subsidieaanvraag is ontvangen, de aanvraag worden afgewezen, tenzij de aanvrager verplichtingen met betrekking tot het te subsidiëren project aangaat onder de opschortende voorwaarde dat hem subsidie zal worden verleend. De terugkoopgarantie die appellante in het onderhavige geval ten aanzien van de kraan had, kan naar het oordeel van de Afdeling echter niet worden opgevat als een dergelijke opschortende voorwaarde. Uit de koopovereenkomst blijkt niet dat de realisering van het project afhankelijk was gesteld van subsidieverlening. Reeds hierom faalt het beroep van appellante op de door haar aangehaalde jurisprudentie.

2.2.4. Nu de rechtbank terecht heeft overwogen dat in dit geval niet is gebleken van bijzondere omstandigheden en mede in aanmerking genomen de door de Europese Commissie bij de goedkeuring aan de SOIT gestelde voorwaarde, dat bij een premature start van de werkzaamheden de subsidieaanvraag dient te worden afgewezen, leidt het vorenoverwogene tot de slotsom dat de Minister in redelijkheid heeft kunnen komen tot de weigering van de door appellante gevraagde subsidie. Ook de rechtbank is tot dit oordeel gekomen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

164-408.