Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200304195/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om ontheffing krachtens de Verordening bescherming landschap en natuur Zuid-Holland (hierna: de Verordening) tot het (gedeeltelijk) dempen van drie sloten met boomstobben en onversnipperd snoeihout op de percelen, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […], […], […], […] en […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 48K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304195/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 15 mei 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om ontheffing krachtens de Verordening bescherming landschap en natuur Zuid-Holland (hierna: de Verordening) tot het (gedeeltelijk) dempen van drie sloten met boomstobben en onversnipperd snoeihout op de percelen, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […], […], […], […] en […].

Bij besluit van 7 maart 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2003, verzonden op 20 mei 2003, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 12 november 2003 hebben appellanten nog een nader stuk ingediend. Dit stuk is in kopie aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2003, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr.drs. M. Uittenbosch en D. de Grave, ambtenaren bij het college, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5 van de Verordening is het de eigenaar, andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak in de door gedeputeerde staten aangewezen gebieden in het landelijk deel van een gemeente verboden wateren of drassige terreinen, hoe ook genaamd, geheel of gedeeltelijk te dempen of te gedogen, dat deze geheel of gedeeltelijk worden gedempt.

Ingevolge artikel 6 van de Verordening is het in artikel 5 vervatte verbod niet van toepassing, voorzover de Hinderwet, de Wet milieubeheer, de Afvalstoffenwet, de Wet chemische afvalstoffen, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren of de Natuurbeschermingswet van toepassing is.

Ingevolge artikel 11 van de Verordening mag de in artikel 10, eerste lid, van de Verordening voorziene ontheffing van het in artikel 5 vervatte verbod alleen worden geweigerd:

a. op grond van storing of ontsiering van het landschap;

b. op grond van aantasting van het type, het karakter of de schaal van het landschap;

c. op grond van aantasting van het natuurlijk milieu, of

d. ter bescherming van terreinen of wateren van ecologische, cultuur-historische, archeologische, geomorfologische, recreatieve of toeristische waarden.

2.2. Bij de beslissing op bezwaar van 7 maart 2002 heeft het college allereerst vastgesteld - kort samengevat - dat in het onderhavige geval geen sprake is van een voorgenomen demping met afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer, zodat artikel 6 van de Verordening niet aan de toepasselijkheid van het in artikel 5 van de Verordening vervatte verbod in de weg staat. De weigering de door appellanten gevraagde ontheffing te verlenen voor het dempen van drie dwarssloten is voorts – in afwijking van het advies van de Tweede Kamer B uit de bezwarencommissie Awb van 29 augustus 2001, waarin zwaardere betekenis aan de agrarische bedrijfsbelangen van appellanten is toegekend – in bezwaar door het college gehandhaafd. Deze weigering is gebaseerd op de overweging dat de demping van de drie sloten in het desbetreffende gebied storend en ontsierend in het landschap is, het type, het karakter en de schaal van het landschap, alsmede het natuurlijk milieu zal aantasten en zich zal bevinden in een terrein van ecologische en cultuurhistorische waarden, dat bescherming behoeft tegen ingrepen, zoals het dempen van een water of een drassig terrein.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat bescherming van de bodem - anders dan bij de vaststelling van de afvalstoffenregeling van de Wet milieubeheer - geen motief is geweest voor de vaststelling van de Verordening in het algemeen en het in artikel 5 van de Verordening neergelegde verbod in het bijzonder. Het verbod van artikel 5 van de Verordening is hier dan ook binnen de door dat artikel gestelde grenzen van toepassing, ongeacht of al dan niet gebruik wordt gemaakt van afvalstoffen in evenbedoelde zin. Hoewel het college dit ten onrechte niet heeft onderkend, is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in het vorenstaande onvoldoende grond gelegen om de beslissing op bezwaar te vernietigen, aangezien de conclusie van het college dat artikel 5 van de Verordening hier van toepassing is, juist is. De aangevallen uitspraak komt echter niet voor vernietiging in aanmerking, nu de beslissing op bezwaar om de navolgende reden niet in stand kan blijven.

2.4. Het college heeft ter motivering van zijn weigering ontheffing te verlenen volstaan met een opsomming van een aantal weigeringsgronden van artikel 11 van de Verordening, echter zonder dit artikel te noemen. Desgevraagd heeft het college ter zitting in hoger beroep aangegeven dat dit artikel in al zijn onderdelen in de weg staat aan vergunningverlening aan appellanten. Naar het oordeel van de Afdeling kan de beslissing op bezwaar geen stand houden, omdat de motivering van de weigering onvoldoende is toegespitst op de specifieke waarden die artikel 11, onder a tot en met d, van de Verordening beoogt te beschermen. Voorts is onvoldoende onderbouwd waarom de in artikel 11 van de Verordening genoemde belangen in dit geval een zodanig gewicht hebben dat de door appellanten aangevoerde belangen, waaronder het economisch belang van kostenbeheersing, daarvoor moeten wijken. Daarbij wordt ten aanzien van de belangen die dat artikel beoogt te beschermen in aanmerking genomen dat, zoals ook uit de ter zitting overgelegde gebiedskaart is gebleken, niet de in het gebied aanwezige dwarssloten, maar de aldaar aanwezige lengtesloten visueel bepalend zijn voor het landschap en dat, voor wat betreft de historische waarden van het gebied, een verkaveling van het gebied in lengterichting heeft plaatsgevonden. Daarnaast is uit het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat de demping van dwarssloten in dat gebied in het verleden veelvuldig door het college is gedoogd en bovendien is gebleken dat een natuurlijk proces gaande is, waarbij de betreffende sloten vervenen en dichtslibben en twee van de drie sloten reeds voor het grootste deel zijn dichtgeslibd.

Dat de beslissing op bezwaar een deugdelijke motivering ontbeert, klemt temeer nu het college met zijn besluit tot ongegrondverklaring van het door appellanten ingediende bezwaar is afgeweken van het advies van de tweede kamer B uit de bezwarencommissie Awb van 29 augustus 2001.

De rechtbank heeft dit miskend en heeft de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit ten onrechte in stand gelaten. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

2.5. Gelet op het voorgaande behoeft aan hetgeen appellanten overigens in hoger beroep hebben betoogd, niet te worden toegekomen.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar in stand heeft gelaten. Het college dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 15 mei 2003, AWB 02/1525 BESLU, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar van 7 maart 2002 in stand zijn gelaten;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

91-391.