Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1971

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200304761/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eemsmond (hierna: het college) de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwen van een windturbine op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304761/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], gevestigd respectievelijk wonend te [plaats] en [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 26 juni 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Eemsmond.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eemsmond (hierna: het college) de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwen van een windturbine op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 9 juli 1999 heeft het college het besluit tot het niet in behandeling nemen van de bouwaanvraag gehandhaafd.

Bij uitspraak van 6 oktober 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Bij besluit van 23 november 2000 heeft het college geweigerd om met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vergunning te verlenen voor het bouwen van een windturbine op het perceel.

Bij besluit van 10 mei 2001 heeft het college het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2003 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om met toepassing van artikel 19 van de WRO bouwvergunning te verlenen. Appellanten voeren in dat verband aan dat, indien de op 29 mei 1998 ingediende aanvraag om bouwvergunning niet eerst buiten behandeling zou zijn gelaten, maar daarop meteen een inhoudelijke beslissing zou zijn genomen, het college gehouden was geweest vrijstelling en bouwvergunning te verlenen. Dit betoog treft geen doel.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de aangehechte uitspraak van 6 februari 2002 in zaak no. 200005090/1, is het uitgangspunt dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Aan een ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag nog wel, maar ten tijde van de heroverweging in bezwaar niet meer geldend bestemmingsplan, mag, bij wijze van uitzondering op dat standpunt slechts worden getoetst indien ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag het daarin vervatte bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden voor een nieuw bestemmingsplan dan wel een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd. Die situatie doet zich hier niet voor. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning, op 29 mei 1998, geldende bestemmingsplan “Buitengebied West en Zuid”, omdat de hoogte van de geplande windturbine van 40 meter de ingevolge dat plan maximaal toegestane hoogte van 15 meter overschrijdt. Vrijstelling kon ingevolge dat plan slechts verleend worden tot een maximale hoogte van 35 meter. Evenmin in geschil is dat het bouwplan eveneens in strijd is met het ten tijde van de beslissing op bezwaar geldende bestemmingsplan “Buitengebied” dat door de gemeenteraad al voor de beslissing in primo tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag om bouwvergunning, op 17 september 1998, gewijzigd was vastgesteld. Weliswaar is door het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college van gedeputeerde staten) bij besluit van 4 mei 1999 goedkeuring aan dat plan onthouden voorzover daarbij solitaire windturbines werden uitgesloten, maar bij dat besluit heeft het college van gedeputeerde staten zich tevens op het standpunt gesteld dat in de planvoorschriften een vrijstellingsregeling voor windturbines diende te worden opgenomen en dat vrijstelling slechts verleend zou kunnen worden na afgifte van een verklaring van geen bezwaar door het college van gedeputeerde staten. Anders dan appellanten betogen kan niet staande gehouden worden dat het college van gedeputeerde staten zonder meer tot afgifte van een dergelijke verklaring van geen bezwaar zou zijn overgegaan. In dit verband is tevens van belang dat het college van gedeputeerde staten al spoedig daarna, op 12 mei 1999, heeft besloten tot vaststelling van een interimbeleid op grond waarvan solitaire windturbines niet langer zijn toegestaan. Dat het college van gedeputeerde staten heeft besloten om bij de vaststelling van het hiervoor genoemde interimbeleid een overgangsregeling te hanteren die inhoudt dat medewerking wordt verleend aan bouwaanvragen voor solitaire windturbines die vóór 12 mei 1999 zijn ingediend indien gemeenten deze aanvragen willen honoreren, doet, anders dan appellanten betogen, daaraan niet af. Duidelijk is immers dat het college, gelet op de inhoud van het op 17 september 1998 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan, geen medewerking aan het bouwplan wilde verlenen. Overigens was de anticipatiebevoegdheid in verband met de uit hoofde van artikel 30 van de WRO op de gemeenteraad rustende verplichting om na het besluit van 4 mei 1999 van het college van gedeputeerde staten een nieuw bestemmingsplan vast te stellen, gelet op het bepaalde in artikel 50, derde lid, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 30, eerste lid, van de WRO ten tijde van de beslissing op bezwaar ook reeds geëindigd, zodat het verlenen van vrijstelling met toepassing van artikel 19 van de WRO reeds om die reden niet mogelijk was.

Hetgeen appellanten betogen met betrekking tot de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2001, waarbij het beroep van de gemeenteraad tegen de onthouding van goedkeuring aan het bestemmingsplan “Buitengebied” ongegrond werd verklaard, kan aan het voorgaande evenmin afdoen omdat deze uitspraak dateert van na de bestreden beslissing op bezwaar.

2.2. Het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens, aangezien in de door appellanten genoemde gevallen vrijstelling is verleend in verband met de vervanging van bestaande windmolens, die abusievelijk niet in het nieuwe bestemmingsplan zijn opgenomen, en er derhalve geen sprake is van gelijke gevallen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

58-398.