Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200300390/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2002, kenmerk 2002WEM00591i, heeft verweerder op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht krachtens artikel 83 van de Wet geluidhinder, bezien in samenhang met artikel 2 van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen, voor dertien woningen hogere grenswaarden voor de geluidbelasting vanwege de aanleg van de Stroomweg de Tol en de Noordelijke Stadsas te Utrecht vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/108

Uitspraak

200300390/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Vleuten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2002, kenmerk 2002WEM00591i, heeft verweerder op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht krachtens artikel 83 van de Wet geluidhinder, bezien in samenhang met artikel 2 van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen, voor dertien woningen hogere grenswaarden voor de geluidbelasting vanwege de aanleg van de Stroomweg de Tol en de Noordelijke Stadsas te Utrecht vastgesteld.

Bij besluit van 10 december 2002, verzonden op 11 december 2002, kenmerk 2002WEM004724i, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 februari 2003.

Bij brief van 28 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 3 juli 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en ir. E. Hofschreuder, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door S.W.A. Kreuger en A.A.M. Bakker, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, vertegenwoordigd door ir. J.P.M. van Erdewijk en G.J. van Dijkhuizen, beiden ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder kunnen gedeputeerde staten onverminderd artikel 82a van deze wet in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 55 dB(A) en voor woningen in stedelijk gebied 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan, bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot woningen die reeds aanwezig of in aanbouw zijn, voor de toekomstige geluidbelasting vanwege een weg die nog niet geprojecteerd is:

a. voor zover het woningen in stedelijk gebied betreft, een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 65 dB(A) niet te boven mag gaan;

b. voor zover het woningen in buitenstedelijk gebied betreft, een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

Het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen (hierna: het Besluit) geeft uitvoering aan de artikelen 82 tot en met 86 van de Wet geluidhinder.

2.2. Appellant voert aan dat verweerder niet zonder nadere motivering een aftrek op de berekende geluidbelasting heeft mogen toepassen als bedoeld in artikel 103 van de Wet geluidhinder.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 103 van de Wet geluidhinder bij toepassing van artikel 102, telkens voor een bepaalde periode, al naar gelang de geluidproductie van motorvoertuigen in de betrokken periode hoger ligt dan voor de toekomst redelijkerwijs is te verwachten, de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan bepalen dat bij de berekening en meting van de geluidbelasting van de gevel van woningen of andere geluidgevoelige objecten op het resultaat een door hem aan te geven aftrek mag worden toegepast. Deze aftrek mag niet hoger zijn dan 5 dB(A).

Op grond van de ministeriële regeling “Regeling aftrek bij berekening en meting geluidbelasting vanwege een weg” (Stcrt. 1989, 45; hierna te noemen: de Regeling) bedraagt de aftrek bedoeld in artikel 103 van de Wet geluidhinder, toe te passen bij de berekening en meting van de geluidbelasting van de gevel van woningen of andere geluidgevoelige objecten met ingang van 1 januari 1990 3 dB(A) voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt.

De Afdeling stelt vast dat artikel 103 van de Wet geluidhinder en de Regeling in het onderhavige geval van toepassing zijn. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat in dit geval de aftrek van 3 dB(A) achterwege had moeten worden gelaten. Met een verwijzing naar de Regeling kon worden volstaan. De keuze van verweerder om de desbetreffende aftrek te hanteren is reeds daarom in voldoende mate gemotiveerd.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.3. Appellant is van mening dat voor de toekomstige situatie voor zijn woning aan de [locatie] te Vleuten had moeten worden uitgegaan van de aanwezigheid van een geluidluwe gevel.

2.3.1. Verweerder stelt dat de aanwezigheid van een geluidluwe gevel niet is verankerd in de Wet geluidhinder. In het Provinciaal Milieubeleidsplan (hierna: PMP) van verweerder is aangegeven dat bij vaststelling van hogere grenswaarden door gedeputeerde staten slechts voor nieuw te bouwen woningen een geluidluwe gevel noodzakelijk is.

2.3.2. In de Wet geluidhinder noch in het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen is een verplichting opgenomen met betrekking tot het garanderen van een geluidluwe gevel voor bestaande woningen. Nu voorts in het PMP is aangegeven dat slechts voor nieuw te bouwen woningen deze verplichting wèl geldt, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanwezigheid van een geluidluwe gevel bij de woning van appellant niet is vereist. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.4. Appellant vreest dat de geluidbelasting in de toekomst hoger zal zijn dan waarvan verweerder uitgaat. Zo is volgens hem onvoldoende onderzoek gedaan naar de situatie die zal ontstaan indien het westelijke gedeelte van de Noordelijke Stadsas eerder wordt aangelegd dan het oostelijke gedeelte en als gevolg hiervan de Utrechtseweg tijdelijk als aansluiting op het kruispunt van de Noordelijke Stadsas westzijde en de Stroomweg de Tol zal dienen.

2.4.1. Verweerder is van mening dat voor de vaststelling van de hogere grenswaarde conform het Reken- en Meetvoorschrift de situatie tien jaar na openstelling van de weg bepalend is. Het verrichten van onderzoek naar de tijdelijke situatie acht hij dan ook niet noodzakelijk.

2.4.2. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai (Stcrt. 107) is bepaald dat bij de bepaling van het equivalente geluidniveau op een bepaalde plaats buiten een woning of ander gebouw ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg, rekening wordt gehouden met de maatgevende verkeersintensiteiten van de onderscheidene categorieën motorvoertuigen.

In artikel 1, tweede lid, aanhef en derde gedachtenstreepje, van genoemd besluit is bepaald dat voor de toepassing van het besluit onder ‘maatgevende verkeersintensiteit’ wordt verstaan de verkeersintensiteit, zoals die, in het voor de geluidbelasting bepalende jaar, gemiddeld over een representatief tijdvak, optreedt.

2.4.3. Ten behoeve van het vaststellen van hogere grenswaarden als bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder heeft verweerder het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai 1981, een regeling als bedoeld in artikel 102, eerste en tweede lid, van deze wet, gehanteerd. Het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai 1981 bevat regels voor het bepalen van het equivalente geluidniveau ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg buiten een woning of ander geluidgevoelig gebouw en voor de wijze waarop akoestische onderzoeken worden uitgevoerd. Als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat het akoestisch onderzoek zo nauwkeurig mogelijk de (toekomstige) geluidbelasting aanduidt. Daarbij moet het zich richten op het voor de geluidbelasting bepalende jaar. Als bepalend jaar kan in beginsel het tiende jaar na openstelling van de weg of tien jaar na dato van het akoestisch onderzoek worden aangehouden, zo kan uit de Nota van Toelichting worden opgemaakt.

Ten behoeve van het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, bij verweerder ingekomen op 28 november 2001, om vaststelling van hogere geluidgrenswaarden zijn door het bureau Geluid van de gemeente Utrecht in 2001 geluidtechnische onderzoeken verricht. Van deze onderzoeken zijn de rapporten “Stroomweg de Tol”, gedateerd op 10 september 2001, en “Noordelijke Stadsas westzijde”, gedateerd op 18 oktober 2001, opgemaakt. Als het voor de geluidbelasting bepalende jaar is in deze onderzoeken 2015 aangehouden. Uit beide rapporten blijkt dat de daarin gehanteerde verkeersgegevens afkomstig zijn van het projectbureau Leidsche Rijn. Een peildatum van 2015 komt overeen met de planperiode van het plan “Leidsche Rijn”. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een peildatum van 2015 kon worden gehanteerd. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellant betwijfelt of de verkeersintensiteit op de betrokken wegen op de juiste wijze is berekend, nu verkeerscijfers voor het oostelijk deel van de Noordelijke Stadsas ontbreken. Hij vreest dat als gevolg hiervan de geluidbelasting op zijn woning hoger zal zijn dan waarvan in het besluit in primo en de beslissing op bezwaar is uitgegaan.

2.5.1. Verweerder stelt dat in het akoestisch onderzoek “Noordelijke Stadsas westzijde”, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, is uitgegaan van een etmaalintensiteit van 9.000 motorvoertuigen per etmaal voor de Noordelijke Stadsas westzijde en van 19.500 motorvoertuigen per etmaal voor de Noordelijke Stadsas oostzijde. De geluidbelasting vanwege de Noordelijke Stadsas oostzijde is dan ook verdisconteerd in de in dat rapport opgenomen waarden, aldus verweerder.

2.5.2. Uit het besluit in primo blijkt dat verweerder ten hoogst toelaatbare waarden vanwege Stroomweg de Tol en vanwege de Noordelijke Stadas heeft vastgesteld. Deze waarden zijn gebaseerd op en komen overeen met de waarden, genoemd in de akoestische onderzoeksrapporten “Stroomweg de Tol” en “Noordelijke Stadsas westzijde”. In laatstgenoemd rapport wordt een verkeersintensiteit van 9.000 motorvoertuigen per etmaal gehanteerd voor het traject Europaweg - Stroomweg de Tol, hetgeen het westelijk deel van de Noordelijke Stadsas betreft. In tegenstelling tot hetgeen verweerder heeft gesteld, blijkt uit het rapport “Noordelijke Stadsas westzijde” niet dat voor het oostelijk deel van de Noordelijke Stadsas een etmaalintensiteit van 19.500 motorvoertuigen is gehanteerd en dat de aldaar verwachte geluidbelasting in de in het rapport “Noordelijke Stadsas westzijde” opgenomen waarden is verdisconteerd. Uit de inleiding van het rapport en de in bijlage 2 van het rapport opgenomen geografische gegevens blijkt evenmin dat het rapport ziet op het oostelijk deel van de Noordelijke Stadsas. Bovendien wordt in de aanvullende informatie van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 12 februari 2002 gesteld dat er een derde akoestisch onderzoeksrapport is, dat betrekking heeft op de Noordelijke Stadsas oostzijde, en waaruit zou blijken dat de verkeersintensiteit op het oostelijk deel van de Noordelijke Stadsas 19.500 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Dit akoestisch onderzoeksrapport heeft niet aan het verzoek om hogere grenswaarden ten grondslag gelegen. Bovendien is niet gebleken dat het rapport door verweerder bij de besluitvorming is betrokken.

Nu de vastgestelde ten hoogst toelaatbare waarden voor de geluidbelasting vanwege de Noordelijke Stadsas slechts zijn gebaseerd op gegevens uit het rapport “Noordelijke Stadsas westzijde”, is de Afdeling van oordeel dat het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig is voorbereid.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.7. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 10 december 2002, kenmerk 2002WEM004724i;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Utrecht te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de provincie Utrecht aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

191-353.