Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1964

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200305280/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek het wijzigingsplan "Wijzigingsplan [locatie]" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 juni 2003, no. 907048, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 september 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200305280/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek het wijzigingsplan "Wijzigingsplan [locatie]" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 juni 2003, no. 907048, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 september 2003.

Van verweerder is geen verweerschrift ontvangen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2004, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. drs. J.J. Jaspers, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied” (hierna: het bestemmingsplan). Het is gericht op het wijzigen van de bestemming van het perceel aan de [locatie] te [plaats] van “Agrarisch bouwblok” naar “Semi-en niet agrarische bedrijven” teneinde de vestiging van het tuningsbedrijf van appellant ter plaatse mogelijk te maken.

2.3. Verweerder heeft aan het plan goedkeuring onthouden omdat niet is voldaan aan de voorwaarden om gebruik te mogen maken van de wijzigingsbevoegdheid. Hij betoogt dat zowel het bestemmingsplan als het streekplan de aanwezigheid van een bebouwingscluster dan wel lintbebouwing vereisen en dat de omgeving van het plangebied hieraan niet voldoet.

2.4. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Appellant is van mening dat het bouwblok wel deel uitmaakt van lintbebouwing. Voorts stelt appellant dat tengevolge van het standpunt van verweerder geen enkele vorm van gebruik meer mogelijk is. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen, aldus appellant.

2.5. Uit artikel 10.6.1, aanhef en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan volgt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om, indien de locatie niet geschikt is voor agrarisch (her)gebruik en sanering van het desbetreffende bedrijf niet mogelijk is, de bestemming “Agrarisch bouwblok” te wijzigen in de bestemmingen “Wonen”, “Semi- en niet agrarische bedrijven” of “Recreatie”.

Ingevolge artikel 10.6.2, aanhef en onder d, sub 1, van de voorschriften van het bestemmingsplan is vestiging van een niet-agrarisch bedrijf uitsluitend toegestaan indien het desbetreffende “Agrarische bouwblok” zich bevindt in een bebouwingscluster dan wel deel uitmaakt van lintbebouwing. Voorts mag de afstand op de plankaart tot de bebouwde kom niet meer bedragen dan 250 meter. In het bestemmingsplan wordt onder lintbebouwing verstaan een lijnvormige verzameling of concentratie van gebouwen langs een weg in het buitengebied, doorgaans dubbelzijdig aanwezig, met geringe afstand tussen de bouwpercelen. Deze definitie komt overeen met die in het streekplan.

2.5.1. Partijen zijn het erover eens dat het perceel ongeschikt is voor agrarisch (her)gebruik. Niet in geding is dat het perceel geen deel uitmaakt van een bebouwingscluster.

Op grond van de stukken, waaronder de plankaart, en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder terecht de bebouwing in de omgeving van het perceel van appellant niet als lintbebouwing in de zin van het bestemmingsplan heeft aangemerkt.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan artikel 10.6.1, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 10.6.2, aanhef en onder d, sub 1, van het bestemmingsplan. Verweerder was derhalve genoodzaakt goedkeuring te onthouden aan het plan. De vraag of in verband met de belangen van appellant met het plan ingestemd moest worden, behoefde daarom geen beantwoording.

Overigens heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat het streekplanbeleid niet in de weg staat aan een wijziging van de bestemming, via artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in recreatieve voorzieningen of woondoeleinden.

2.5.2. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat het plan zich niet verdraagt met de wijzigingsvoorschriften.

Uit het vorenstaande volgt dat het plan is vastgesteld in strijd met deze voorschriften en met artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

234-461.