Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200305359/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Houten het uitwerkingsplan "Loerik I, II (ged) en IV” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 juli 2003, nummer 2003REG001592i, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2003, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305359/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Houten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Houten het uitwerkingsplan "Loerik I, II (ged) en IV” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 juli 2003, nummer 2003REG001592i, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.W.O. Croockewit, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. W.E.M. Corsten, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord het college van burgmeester en wethouders van Houten, vertegenwoordigd door mr. J.J van Nuland, ambtenaar bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan is een gedeeltelijke uitwerking van het “Globaal Bestemmingsplan Houten-Vinex” (hierna: GBHV) en beoogt de bestaande en gerealiseerde bebouwing en andere voorzieningen te regelen. Verweerder heeft het plan goedgekeurd.

2.3. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover daarbij de vestiging van een bedrijf in de categorie “Lichte Horeca (H)” naast zijn woning mogelijk wordt gemaakt. Volgens appellant zijn de keuze en de achterliggende motieven voor deze bestemming ondeugdelijk. Appellant voert daartoe aan dat [locatie] ongeschikt is voor de vestiging van een horecabedrijf, mede gelet op de woonfunctie van het gebied en de afstand tot de fietsroutes en recreatieve functies. Daarnaast vreest appellant overlast van de exploitatie van het horecabedrijf. Voorts twijfelt appellant aan de economische haalbaarheid van het horecabedrijf en vreest hij dat wijziging van de aard van de exploitatie zal leiden tot een vergroting van de overlast. Ten slotte is appellant van mening dat bij deze uitwerking door verweerder ten onrechte geen rekening is gehouden met de gemeentelijke Horecastructuurvisie.

2.4. Het college van burgemeester en wethouders heeft met het plan beoogd een gedetailleerd plan vast te stellen voor het inmiddels gebouwde deel van de woonwijk Loerik. Het college is van mening dat een horecavestiging met bescheiden afmetingen past in een woongebied. Onevenredige overlast kan worden voorkomen, aldus het college.

2.5. Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij neemt voorts het standpunt over van het college van burgemeester en wethouders dat het plan past binnen de uitwerkingsbepalingen van het GBHV en dat de in geding zijnde plaats geschikt is voor een horecavoorziening als hier aan de orde.

2.6. Het perceel met de bestemming “Lichte Horeca” heeft in het GBHV de globale bestemming “Woongebied”. Het perceel ligt aan een kruispunt van fietspaden in de nieuwe woonwijk Loerik. Ingevolge artikel 4, derde lid, onder d, van de GBHV-planvoorschriften, mogen binnen de bestemming woongebied uitsluitend vormen van lichte horeca worden gerealiseerd met een oppervlakte per vestiging van ten hoogste 200 m2. Ingevolge artikel 1, onder v, van de GBHV-planvoorschriften, voorzover hier van belang, wordt onder lichte horeca verstaan: aan detailhandel verwante horeca, zoals automatiek, broodjeszaak, cafetaria, croissanterie, koffiebar, lunchroom, ijssalon, snackbar, tearoom, traiteur en voorts een bistro, restaurant en hotel. Het criterium voor lichte horeca is volgens dit artikellid dat deze horeca in beginsel alleen overdag en ’s avonds geopend is.

Ingevolge de doeleindenomschrijving van artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften van het uitwerkingsplan zijn de gronden met de bestemming “Lichte Horeca” bestemd voor lichte horeca, zoals een automatiek, broodjeszaak, cafetaria, croissanterie, koffiebar, lunchroom, ijssalon, snackbar, tearoom, traiteur, en een terras ten dienste van deze doeleinden. Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder e en f, bedraagt de maximale oppervlakte van de bebouwing 80 m2 en de oppervlakte van het terras maximaal 50 m2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in overeenstemming is met de uitwerkingsbepalingen van het GBHV.

2.6.1. Voorzover appellant een beroep doet op de gemeentelijke Horecastructuurvisie, is van belang dat deze structuurvisie een restrictief beleid uitzet ten aanzien van vestiging van drankverstrekkers in woonwijken. Onder drankverstrekkers verstaat de Horecastructuurvisie cafés en dergelijke. Cafés behoren volgens de planvoorschriften van zowel het GBHV als dit plan niet tot de lichte horeca. Gelet op het bovenstaande acht de Afdeling het restrictieve beleid waarop appellant doelt, niet van toepassing op dit horecabedrijf, zodat verweerder met dit beleid geen rekening behoefde te houden.

2.6.2. De Afdeling is voorts van oordeel dat verweerder vestiging van een licht horecabedrijf op een kruising van twee hoofdfietsroutes en in de nabijheid van een recreatieve functie niet onredelijk heeft behoeven te achten. Het feit dat het hier gaat om een vestiging van een horecavoorziening in een woongebied maakt dit niet anders, nu het GBHV vestiging van lichte horeca in een woongebied uitdrukkelijk toestaat.

2.6.3. Ten aanzien van mogelijke overlast neemt de Afdeling in aanmerking dat artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften alleen lichte horeca toestaat. Een café is op grond van de planvoorschriften niet toegestaan. Voorts merkt de Afdeling op dat het een horecabedrijf van beperkte omvang betreft, dat bovendien, gelet op de stukken, niet uitgebreid mag worden en in het winterseizoen gesloten zal zijn. Gedurende de rest van het jaar zal appellant mogelijk enige overlast kunnen ondervinden. De Afdeling overweegt dat ter zitting is gebleken dat niet is te verwachten dat dit horecabedrijf met terras zal leiden tot ernstige overlast.

Ten aanzien van een door appellant gevreesde wijziging van de aard van de exploitatie om tegenvallende bedrijfsresultaten op te vangen overweegt de Afdeling dat de exploitant moet blijven voldoen aan de genoemde planvoorschriften. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat het bedrijf niet de primaire bron van inkomsten is voor de exploitant.

2.6.4. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre, hoewel de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004

234-461.