Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1945

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
200206767/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 november 2002, kenmerk MW00.9406, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting ten behoeve van het produceren van tarwezetmeelproducten en tarwegluten op het perceel [locatie] te Nijmegen, kadastraal bekend gemeente Nijmegen, sectie […], nummers […], […], […], […] en […]. Dit besluit is op 21 november 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 37 met annotatie van R.A.J. van Gestel
Milieurecht Totaal 2004/3376
JOM 2006/1022
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206767/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2004.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatie met uitgezonderde aansprakelijkheid "Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A." en de vereniging “Wijkvereniging Ons Waterkwartier”, beide gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2002, kenmerk MW00.9406, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting ten behoeve van het produceren van tarwezetmeelproducten en tarwegluten op het perceel [locatie] te Nijmegen, kadastraal bekend gemeente Nijmegen, sectie […], nummers […], […], […], […] en […]. Dit besluit is op 21 november 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 16 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten, verweerder en vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door drs. ing. J.G. Vollenbroek, gemachtigde,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.H. Meijer, advocaat te Apeldoorn, en ir. G.J. Landman, gemachtigde, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door M.K. Prudon en W.H.J. Wasscher, gemachtigden, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten de beroepsgrond inzake glutenallergie ingetrokken.

2.2. Verweerder voert aan dat de "Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A." (hierna: MOB) beroep heeft ingesteld namens de vereniging “Wijkvereniging Ons Waterkwartier” (hierna: de Wijkvereniging), en niet tevens uit eigen naam. Daarnaast betoogt verweerder dat het beroep van de Wijkvereniging geen grondslag heeft in de bedenkingen, zodat het niet-ontvankelijk is. In dit verband stelt hij dat de bedenkingen van de MOB niet zijn ingediend namens de Wijkvereniging, en dat de beroepsgronden van de Wijkvereniging niet kunnen worden herleid tot de bedenkingen van de Wijkvereniging. Subsidiair stelt verweerder dat het beroep van de MOB geen grondslag heeft in de bedenkingen wat betreft het ontbreken van gegevens in de aanvraag over stofemissie en stofimmissie beperkende maatregelen en een kosten-batenanalyse, het meer toestaan aan stofemissie dan is aangevraagd, alsmede verlaging van de luchtdebieten om de stofemissie te beperken.

2.2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.2.2. Niet in geschil is dat het door J.G. Vollenbroek opgestelde beroepschrift is ingediend namens de Wijkvereniging. Gelet op de bewoordingen van het beroepschrift moet het naar het oordeel van de Afdeling tevens worden geacht te zijn ingediend door de MOB, waarvoor J.G. Vollenbroek werkzaam is. Het bedenkingenschrift is door J.G. Vollenbroek ingediend namens de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, de Werkgroep Waterkwartier en ter hoorzitting aanwezige [belanghebbenden] en moet, gelet op de bewoordingen daarvan, tevens worden geacht te zijn ingediend door de MOB.

Uit de stukken blijkt dat door [belanghebbende] namens “het Waterkwartier” bedenkingen zijn ingediend. Voorzover het ervoor moet worden gehouden dat aldus is beoogd namens de Wijkvereniging bedenkingen in te dienen, is de Afdeling van oordeel dat deze bedenkingen geen grondslag vormen voor de beroepsgronden. Artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer strekt ertoe een beroepsmogelijkheid te bieden aan degenen die zich konden verenigen met het ontwerp van het besluit en om die reden daartegen geen bedenkingen hebben ingebracht, doch gelet op de in het definitieve besluit ten opzichte van het ontwerp aangebrachte wijzigingen in een nadeliger positie zijn komen te verkeren en zich daarom niet kunnen verenigen met het definitieve besluit. De beroepsgronden inzake stofemissie en stofimmissie zijn gericht tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht. Daardoor is de Wijkvereniging in zoverre in een nadeliger positie komen te verkeren ten opzichte van het ontwerp. Het beroep van de Wijkvereniging is in zoverre ontvankelijk.

Voorzover appellanten aanvoeren dat het bestreden besluit in strijd is met de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) stelt de Afdeling vast dat daarvoor geen grondslag bestaat in de door hen ingediende bedenkingen. De Afdeling is echter van oordeel dat dit niet in de weg staat aan beoordeling van de beroepsgrond inzake de IPPC-richtlijn, nu het hier gaat om mogelijk rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht waarvan de handhaving door de nationale rechter moet worden verzekerd en de afwijzing van die beoordeling ertoe zou kunnen leiden dat het gemeenschapsrechtelijke effectiviteitsbeginsel wordt geschonden.

Ten aanzien van het beroep voorzover ingesteld door de Wijkvereniging en voorzover het betreft de overige beroepsgronden stelt de Afdeling vast dat het bepaalde in artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder b en c niet van toepassing is. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de Wijkvereniging redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre, voorzover ingediend door de Wijkvereniging, niet-ontvankelijk is.

Anders dan verweerder betoogt vindt het beroep van appellanten, voorzover ingesteld door de MOB, wel zijn grondslag in de bedenkingen van de MOB wat betreft het ontbreken van gegevens in de aanvraag over stofemissie en stofimmissie beperkende maatregelen en een kosten-batenanalyse, het meer vergunnen aan stofemissie dan is aangevraagd, alsmede verlaging van de luchtdebieten om de stofemissie te beperken. In dit verband overweegt de Afdeling dat de bedenkingen deels een ruime strekking hebben en dat de desbetreffende beroepsgronden liggen in het verlengde daarvan. In zoverre bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het beroep, voorzover ingediend door de MOB, niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellanten betogen dat de aanvraag op diverse punten onvolledig is en daardoor in strijd is met de eisen die de IPPC-richtlijn stelt.

2.3.1. Verweerder stelt dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

2.3.2. Artikel 1 van de IPPC-richtlijn luidt:

"Deze richtlijn heeft de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door de in bijlage I genoemde activiteiten ten doel. Zij bevat maatregelen ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies door de bedoelde activiteiten in lucht, water en bodem, met inbegrip van maatregelen voor afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 85/337/EEG en andere Gemeenschapsvoorschriften".

Bijlage I, onder 2, van de IPPC-richtlijn bepaalt:

"De hieronder genoemde drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer een exploitant in dezelfde installatie of op dezelfde plaats verscheidene activiteiten van dezelfde rubriek verricht, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld".

Categorie 6.4 in bijlage I van de IPPC-richtlijn, onder b, aanhef en onder het tweede gedachtestreepje, heeft betrekking op bewerking en verwerking voor de fabricage van levensmiddelen op basis van plantaardige grondstoffen met een productiecapaciteit van meer dan 300 ton per dag eindproducten (gemiddelde waarde op driemaandelijkse basis).

2.3.3. De aangevraagde hoeveelheid te verwerken tarwemeel in de inrichting bedraagt 250.000 ton per jaar. Bij het bestreden besluit is de te verwerken (abusievelijk aangeduid als te produceren) hoeveelheid tarwemeel per jaar beperkt tot 150.000 ton. In de aanvraag is vermeld dat de onderhavige inrichting is bestemd voor de productie van tarwezetmeel en tarwegluten voor zowel food als non-food toepassingen; dat in de inrichting voedingsmiddelen worden geproduceerd; dat de eindproducten hun toepassing vooral vinden in de voeding- en genotmiddelenindustrie en daarnaast bij de vervaardiging van papier, karton, in farmaceutische en cosmetische producten, bij het sterken van textielgarens en als speciale componenten voor diervoeders. In de checklist in de aanvraag is vermeld dat uit 100 kilogram tarwebloem globaal 70 kilogram tarwezetmeel, 10 kilogram tarwegluten en 20 kilogram tarwe-indampconcentraat wordt gewonnen. Op basis van deze gegevens kan de jaarproductie per eindproduct worden berekend.

De Afdeling stelt vast dat in de aanvraag niet is vermeld welk percentage of welke hoeveelheid eindproduct bestemd is voor de fabricage van levensmiddelen. Nu voor de productie van eindproduct ten behoeve van de levensmiddelenindustrie enerzijds en voor overige bestemmingen anderzijds één en hetzelfde verwerkingsprocédé is aangevraagd, kan ook daaruit niet worden afgeleid welk percentage of welke hoeveelheid eindproduct bestemd is voor de fabricage van levensmiddelen. Daar komt bij dat uit de aanvraag slechts de jaarproductie is af te leiden; de driemaandelijkse productie waaruit de gemiddelde dagproductie herleid kan worden waarvan wordt gesproken in categorie 6.4 in bijlage I van de IPPC-richtlijn, onder b, aanhef en onder het tweede gedachtestreepje, is niet in de aanvraag vermeld. Gelet daarop is niet duidelijk of in de onderhavige inrichting activiteiten plaatsvinden als bedoeld in de hiervoor genoemde categorie van de IPPC-richtlijn. Hierdoor kon verweerder bij de beoordeling van de aanvraag ook niet bepalen of het beoordelingskader van de IPPC-richtlijn van toepassing is. Verweerder heeft dan ook niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanvraag voldoende informatie bevat om een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu mogelijk te maken. Door desondanks inhoudelijk te beslissen op de aanvraag heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, en met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.4. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit komt vanwege het vorenstaande in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking. Derhalve ziet de Afdeling geen aanleiding de overige beroepsgronden te bespreken.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft de door appellanten gevraagde vergoeding van door hen gemaakte kosten voor een door een deskundige aan hen uitgebracht deskundigenrapport moet worden geoordeeld dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen nu niet is gebleken van een deskundigenverslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht dat als zodanig door appellanten in de onderhavige procedure is overgelegd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover ingesteld door de vereniging "Wijkvereniging Ons Waterkwartier" en betrekking hebbend op andere aspecten dan stofemissie en stofimmissie;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 5 november 2002, kenmerk MW00.9406;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 129,75; het totale bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Können

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004.

301-353.