Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
200303119/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om toestemming te verlenen om gebruik te maken van een rechtstreeks contact bij de bemiddeling ter opneming in hun gezin van een kind uit de Braziliaanse [deelstaat].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303119/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 25 maart 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om toestemming te verlenen om gebruik te maken van een rechtstreeks contact bij de bemiddeling ter opneming in hun gezin van een kind uit de Braziliaanse [deelstaat].

Bij besluit van 20 december 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2003, verzonden op 2 april 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 juli 2003 heeft de Minister van Justitie (hierna: de Minister) van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2003, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. P. Baur, advocaat te Landgraaf, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. S.A.M. Oostvogels, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Trb. 1993, 197) (hierna: het Verdrag) kunnen de taken waarmee de Centrale Autoriteit op grond van dit hoofdstuk is belast, voorzover de wet van haar Staat zulks toelaat, worden uitgevoerd door overheidsinstanties of door instellingen waaraan op grond van Hoofdstuk III vergunning is verleend.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, van het Verdrag, kan een Verdragsluitende Staat bij de depositaris van het Verdrag de verklaring afleggen dat, voorzover de wet zulks toelaat en onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van die Staat, de taken waarmee de Centrale Autoriteit op grond van de artikelen 15 tot 21 in die Staat is belast, ook kunnen worden uitgevoerd door personen of instellingen die

a. aan de eisen van die Staat betreffende de onkreukbaarheid, vakbekwaamheid, ervaring en verantwoordelijkheid voldoen; en

b. op grond van hun ethisch normbesef en door opleiding of ervaring in staat zijn werkzaamheden te verrichten op het terrein van interlandelijke adoptie.

In artikel 22, derde lid, van het Verdrag is bepaald dat een Verdragsluitende Staat die de in het tweede lid bedoelde verklaring aflegt, aan het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht regelmatig mededeling doet van de namen en adressen van deze instellingen en personen.

Ingevolge artikel 22, vierde lid, van het Verdrag, kan een Verdragsluitende Staat bij de depositaris van het Verdrag de verklaring afleggen dat adopties van kinderen die hun gewone verblijfsplaats op zijn grondgebied hebben, slechts kunnen plaatsvinden indien de taken van de Centrale Autoriteit worden uitgevoerd in overeenstemming met het eerste lid.

2.1.1. Op 10 maart 1999 heeft de Federale regering van Brazilië het Verdrag geratificeerd. Het Verdrag is in Nederland op 1 oktober 1998 en in Brazilië op 1 juli 1999 in werking getreden.

2.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat onweersproken is dat Brazilië geen verklaring heeft afgelegd op grond waarvan bemiddeling door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van het Verdrag is toegestaan. Uit de stukken is gebleken dat Brazilië wel op 16 mei 2000 bij de depositaris van het Verdrag een verklaring als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van het Verdrag heeft afgelegd. Niet is in geschil dat de contactpersoon van appellanten in Brazilië geen instantie of instelling is als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van het Verdrag. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Staatssecretaris terecht het verzoek van appellanten om bemiddeling via een eigen contactpersoon toe te laten, heeft afgewezen.

2.3. Het betoog van appellanten dat de rechtbank de strekking van het Verdrag heeft miskend door te overwegen dat voor toepassing van het tweede lid van artikel 22 van het Verdrag een aparte, specifieke verklaring nodig is, slaagt niet.

In de memorie van toelichting bij de goedkeuring van het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag (TK 1995-1996, 24 810 (R 1577), nr. 3, p. 20-21) wordt vermeld dat het uitgangspunt in het Verdrag is dat de taken waarmee de Centrale Autoriteit op grond van hoofdstuk IV is belast, kunnen worden uitgevoerd door overheidsinstanties of door instellingen waaraan op grond van Hoofdstuk III vergunning is verleend. Artikel 22, tweede lid, van het Verdrag biedt, ten aanzien van de procedurele taken van de Centrale Autoriteit op grond van de artikelen 15 tot en met 21 de mogelijkheid om deze, uitsluitend in de betrokken staat, te laten uitvoeren door andere personen en lichamen dan overheidsinstanties en vergunninghoudende instellingen. Van de hier bedoelde verdergaande opdracht aan niet-vergunninghoudende lichamen of personen dient kennis te worden gegeven aan de depositaris. Hieruit volgt dat – anders dan appellanten betogen – voor toepassing van het tweede lid van artikel 22 van het Verdrag een aparte, specifieke verklaring nodig is. Nu Brazilië slechts de verklaring heeft afgelegd ingevolge artikel 22, vierde lid, van het Verdrag, laat het Verdrag aspirant-adoptanten geen vrijheid om in deze staat van andere kanalen dan de in artikel 22, eerste lid, van het Verdrag genoemde gebruik te maken of om daarmee rechtstreeks contact te zoeken.

2.4. Het betoog van appellanten dat Nederland zich ten onrechte inmengt in de interne wetgeving van Brazilië, door te weigeren samen te werken met hun bemiddelingscontact, faalt ook. Het Verdrag is op 1 juli 1999 in Brazilië in werking getreden en regelt sindsdien de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie tussen landen die zijn aangesloten bij het Verdrag. De Staatssecretaris heeft het verzoek van appellanten terecht getoetst aan het Verdrag, zodat van inmenging in de interne wetgeving van Brazilië geen sprake is. Daargelaten of het bemiddelingscontact van appellanten binnen de deelstaat Alagoas in Brazilië toestemming heeft gekregen om aldaar op te treden, kan reeds gelet op het feit dat Brazilië geen verklaring heeft afgelegd ingevolge artikel 22, tweede lid, van het Verdrag geen ander contact dan de Centrale Autoriteit of overheidsinstanties of instellingen waaraan op grond van Hoofdstuk III vergunning is verleend als bemiddelingscontact worden gebruikt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004

97-426.