Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1649

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
200302700/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2002 heeft de gemeenteraad van Oirschot, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 september 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Kom Middelbeers".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302700/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Venowa B.V.", gevestigd te Middelbeers, en andere,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2002 heeft de gemeenteraad van Oirschot, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 september 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Kom Middelbeers".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 maart 2003, nr. 868449, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2003, waar appellanten, in de persoon van [gemachtigde] en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. van Driel-Faasen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Namens het gemeentebestuur van Oirschot is het woord gevoerd door C.J.E. Schellekens-Klessens, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de kom van Middelbeers met uitzondering van het in ontwikkeling zijnde woongebied de Hille en het bedrijventerrein Steenfortseweg. Met het plan, dat is vastgesteld ter vervanging van een groot aantal bestemmingsplannen, is beoogd een moderne eenduidige regeling te treffen voor de kern.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.3. Appellanten – die een bedrijf hebben aan de [locatie] te [plaats] – stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het woord “dienstverlenende” in artikel 9, eerste lid, onder a, aan het woord “dienstverlening” in artikel 9, eerste lid, onder c, en aan het woord “kantoren” in artikel 9, eerste lid, onder d, van de planvoorschriften. Zij vrezen dat de huidige gebruiksmogelijkheden van hun perceel hierdoor worden beperkt.

2.3.1. Verweerder stelt dat deze onthouding van goedkeuring geen betrekking heeft op de bestemming die is toegekend aan het perceel van appellanten. Hij meent dat het huidige gebruik van het perceel in het plan als zodanig is bestemd.

2.3.2. Aan het perceel van appellanten is op de plankaart de bestemming “Bedrijven en kantoren” toegekend, met de nadere aanduiding “Fah”.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is bepaald dat de gronden die op de plankaart als “Bedrijven en kantoren” zijn aangegeven, zijn bestemd voor de voortzetting van de op het moment van tervisielegging van het ontwerp van dit plan bestaande bedrijfsactiviteiten, conform de codes die op de plankaart in de desbetreffende bestemmingsvlakken zijn aangegeven en conform de onderstaande tabel.

Uit deze tabel blijkt dat op bestemmingsvlakken met de aanduiding “Fah” - naast milieucategorie 1 en 2-bedrijfsactiviteiten - is toegestaan een Financieel adviesbureau/handelsonderneming.

2.3.3. Appellanten zijn blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting van mening dat deze omschrijving overeenkomt met hun huidige bedrijfsactiviteiten, welke ook reeds op het perceel plaatsvonden ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp-plan. Gelet hierop is de Afdeling met verweerder van oordeel dat de bedrijfsactiviteiten van appellanten in het plan als zodanig zijn bestemd en dat de onthouding van goedkeuring aan de hiervoor weergegeven gedeelten van artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften geen beperking oplevert voor het huidige gebruik dat appellanten van dit perceel maken.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4. Appellanten hebben vervolgens aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover de gronden achter het perceel [locatie] daarin niet zijn opgenomen. Volgens hen is dit door de gemeente wel toegezegd. Appellanten willen op de desbetreffende gronden een minigolfterrein of een dierenverblijf realiseren. Ook stellen zij dat de buiten het plan gelegen ontsluitingsweg naar de St. Annastraat als zodanig in het plan had moeten worden opgenomen.

2.4.1. Verweerder heeft overwogen dat de bezwaren van appellanten betrekking hebben op de grens van het bestemmingsplan. Hij heeft geen reden gezien de plangrens in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat de gemeenteraad, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de gemeenteraad de verwachting is gewekt dat het plan betrekking zou hebben op de in het geding zijnde gronden. Overigens is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de ligging van de plangrens overeenkomt met het verloop van de plangrens in het vorige plan en aansluit op het bestemmingsplan “Buitengebied” dat op 17 oktober 2000 door de gemeenteraad van Oirschot is vastgesteld. Tegen de aangrenzende bestemming in dat plan zijn zienswijzen en bedenkingen ingebracht en is beroep ingesteld. Bij uitspraak van 10 december 2003, nr. 200102937/1, heeft de Afdeling op dat beroep beslist. In dat kader kon dan ook worden ingegaan op de bezwaren van appellanten met betrekking tot de bestemming die aan de desbetreffende gronden is toegekend.

Gezien het vorenstaande is het beroep op dit punt ongegrond.

2.5. Appellanten hebben verder aangevoerd dat het plan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt op hun perceel een tweede bedrijfswoning te bouwen. Volgens appellanten zijn ter plaatse inmiddels drie bedrijven aanwezig die een bedrijfswoning rechtvaardigen. Ook menen zij dat ten onrechte niet de mogelijkheid is opgenomen op hun perceel – na het eventueel beëindigen van hun bedrijfsactiviteiten – woningen te bouwen.

Verder stellen appellanten dat in het plan ten onrechte niet is geregeld dat zij aan de achterzijde van hun perceel een uitrit mogen maken naar de buiten het plan gelegen ontsluitingsweg naar de St. Annastraat. Zij menen dan ook dat verweerder het plan in zoverre niet had mogen goedkeuren.

2.5.1. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan niet ingestemd met de bouw van een tweede bedrijfswoning. Volgens de gemeenteraad is dit uit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar.

Verder stelt de gemeenteraad dat het perceel, dat aan de rand van de bebouwde kom ligt, grenzend aan de bestemming open akkercomplex, is aangeduid als een waardevolle dorpsrand. Een verdere verdichting met woningen en opschuiving van de verstening naar het akkercomplex getuigt niet van bescherming van deze waarden. De aanleg en het gebruik van een ontsluiting of uitrit is echter wel mogelijk, aldus de gemeenteraad.

2.5.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Daarbij heeft hij onder meer overwogen dat meer bedrijfswoningen niet op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden ingepast. Verder meent verweerder dat de gevraagde woningen vanwege het gemeentelijke woningbouwprogramma en het door de gemeenteraad vastgestelde volkshuisvestingsbeleid geen prioriteit hebben.

2.5.3. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de bouw van een tweede bedrijfswoning ter plaatse noodzakelijk is. Verder acht de Afdeling hierbij van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellanten niet voornemens zijn hun bedrijfsactiviteiten ter plaatse binnen de planperiode te beëindigen. Reeds hierom heeft verweerder zich met de gemeenteraad op het standpunt kunnen stellen dat in het plan geen regeling hoeft te worden opgenomen die het bouwen van woningen op het perceel mogelijk maakt. Ten slotte neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bestemmingen “Bedrijven en kantoren” en “Tuinen II” die aan het perceel van appellanten zijn toegekend het gebruik van een ontsluiting of uitrit op het perceel niet onmogelijk maken.

2.5.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ook wat dit onderdeel betreft ongegrond.

2.6. Appellanten hebben verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de vrijstellingsbevoegdheid die in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is opgenomen. Volgens appellanten is op dit punt sprake van een beperking ten opzichte van het vorige plan, omdat deze bepaling niet meer de mogelijkheid biedt een vrijstelling te verlenen voor de lengte van gebouwen.

2.6.1. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het plan tot een maximum van 10% van de in het plan voorgeschreven maten voor de breedte, de goot- en/of de nokhoogte van gebouwen, mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

2.6.2. Verweerder heeft geen reden gezien deze bepaling in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Daarbij heeft hij overwogen dat de bestreden vrijstelling voorziet in enige flexibiliteit in de maatvoering van bebouwing, maar dat deze bepaling voor een groot deel geen betrekking heeft op de bouwmogelijkheden op het perceel van appellanten.

2.6.3. Op de plankaart is op het perceel van appellanten een bouwvlak opgenomen. Blijkens de aanduiding op de plankaart in samenhang met artikel 9, tweede lid, onder 2, sub a, van de planvoorschriften mag dit bouwvlak voor 60% worden bebouwd. Gebouwen kunnen binnen het gehele bouwvlak worden opgericht, waarbij in het plan geen eisen zijn gesteld aan de lengte of aan de breedte van de op te richten gebouwen.

Gelet hierop is de Afdeling met verweerder van oordeel dat het feit dat geen vrijstelling kan worden verleend van de in het plan voorgeschreven maten voor de lengte van gebouwen voor appellanten geen nadelige gevolgen heeft.

Het beroep is op dit punt eveneens ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Breunese-van Goor

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004

208.