Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1646

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
200303229/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 2 april 2003 in zaak no. 200200346/1 heeft de Afdeling de beroepen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 27 november 2001, kenmerk 6.1/2001004420, waarbij is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Borger Dorp" van de gemeente Borger-Odoorn, (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en (voor het overige) ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303229/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

de stichting "Stichting Leefbaar Noord-Oost Borger”, gevestigd te Borger,

verzoekster,

om herziening als bedoeld in art 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht van de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2003 in zaak no. 200200346/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 2 april 2003 in zaak no. 200200346/1 heeft de Afdeling de beroepen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 27 november 2001, kenmerk 6.1/2001004420, waarbij is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Borger Dorp" van de gemeente Borger-Odoorn, (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en (voor het overige) ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 17 mei 2003 heeft verzoekster de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Deze brief is aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Borger-Odoorn en verzoekster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], is verschenen. Voorts zijn aldaar namens het college van gedeputeerde staten van Drenthe A. Oldenhuis en B.K. Hendriks, ambtenaren van de provincie, en namens de gemeenteraad van Borger-Odoorn mr. T. Knoop, advocaat te Groningen, en H. Post, B. Haak en J. Gorseling, ambtenaren van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. Verzoekster voert als reden voor haar verzoek aan dat haar uit na de zitting op 28 november 2002 in zaak no. 200200346/1 ontvangen informatie is gebleken dat de verkeersintensiteit op de Hunebedstraat veel hoger ligt dan in het kader van de vaststelling en goedkeuring van het bestemmingsplan is aangenomen. Zij stelt zich op het standpunt dat de gemeenteraad deze informatie op de zittingsdag heeft achtergehouden en dat indien deze informatie tijdig bekend zou zijn geweest, dit tot een andere uitspraak over de nieuwbouw van het Nationaal Hunebedden Informatiecentrum (hierna: het NHI) zou hebben geleid.

2.3. De Afdeling overweegt dat de nieuwbouw van het NHI in het bestemmingsplan “Nationaal Hunebedden Informatiecentrum” van de gemeente Borger-Odoorn is geregeld. In het kader van dat bestemmingsplan zijn de gevolgen voor de plaatselijke wegstructuur bezien. Op de ten aanzien van dat bestemmingsplan ingediende beroepen heeft de Afdeling op 2 april 2003 in zaak no. 200201189/1 uitspraak gedaan. Op het verzoek van verzoekster om herziening van die uitspraak heeft de Afdeling heden uitspraak gedaan.

Uit de uitspraak in zaak no. 200200346/1 en de hieraan ten grondslag liggende stukken blijkt dat de verkeerstelgegevens voor de beoordeling van de beroepen in die zaak niet van belang zijn geweest. De door verzoekster ingebrachte gegevens zouden derhalve, ook indien zij de Afdeling eerder bekend waren geweest, in zaak no. 200200346/1 niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden.

2.3.1. Gezien het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat de gronden waarop het verzoek rust, tot herziening van de aangevallen uitspraak kunnen leiden, nu niet wordt voldaan aan de vereisten die hieraan in artikel 8:88 van de Awb worden gesteld. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004

177-371.